Kok: door EMS lagere inflatie en groter tekort

DEN HAAG, 1 OKT. De recente aanpassing van het Europees Monetair Stelsel - waarbij het Britse pond het Europese wisselkoerssyteem heeft verlaten en de koersen van de Italiaanse lire en Spaanse peseta zijn gedevalueerd - leidt volgend jaar tot een lagere inflatie, een hogere koopkracht, en een hoger financieringstekort van het rijk.

Dit blijkt uit antwoorden van minister Kok (financiën) over de Miljoenennota 1993 die vanmorgen naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

Uit berekeningen van het Centraal Planbureau blijkt dat de inflatie uitkomt op bijna drie procent (0,8 procentpunt minder dan in Macro Economische Verkenning is berekend), de koopracht stijgt met minimaal een kwart procentpunt, en het financieringstekort van het rijk komt door verminderde belastingopbrengsten 750 miljoen hoger uit. Het CPB gaat er vanuit dat de dollarkoers weer stijgt naar gemiddeld 1,85 in 1993 (op dit moment is de koers 1,60 gulden).

Begin deze week was er onenigheid over de inflatie-prognoses tussen minister De Vries (sociale zaken) en Financiën. De Vries voorspelde dat de inflatie volgend jaar een half tot één procentpunt minder zal stijgen omdat buitenlandse produkten in Nederland goedkoper zullen worden. Financiën vond de conclusie van de minister van sociale zaken prematuur. De Vries deed zijn uitspraak kort voordat de vakcentrale FNV het arbeidsvoorwaardenbeleid voor komend jaar presenteerde. FNV en CNV vonden de berekeningen van De Vries ook voorbarig en baseren hun looneisen op een inflatie van 3,75 procent.

De lagere inflatie heeft een gunstig effect voor de koopkracht; de minima gaan er in deze CPB-variant 0,5 procentpunt op vooruit terwijl in eerdere berekeningen de koopkracht voor deze groep volgend jaar gelijk zou blijven. Voor de andere groepen stijgt de koopkracht met ongeveer 0,25 procentpunt. De stijging van de effectieve koers van de gulden leidt tot een verslechtering van de Nederlandse concurrentiepositie, waardoor de toename van de export 0,6 procent lager uitkomt. De werkgelegenheid daalt met 4000 arbeidsjaren.

Volgens een andere CPB-studie drukt de verlaging van het hoge BTW-tarief van 18,5 naar 17,5 procent, die vandaag ingaat, de inflatie maar is het effect op de werkgelegenheid beperkt. Met het oog op de werkgelegenheid was een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomensbelasting beter geweest, aldus CPB-medewerker G.M.M. Gelauff in het economenblad ESB.

Een lagere eerste schijf leidt tot een versterkte loonmatiging. Het CPB gaat na wat het effect is van diverse vormen van lastenverlichting ter grootte van één miljard gulden. Een verlaging van de BTW met 0,7 procent leidt tot 11.000 extra arbeidsjaren; een verlaging van de eerste schijf in de inkomstenbelasting met 0,6 procent tot 21.000 extra arbeidsjaren.

Opmerkelijk is dat volgens het CPB een verhoging van het arbeidskostenforfait, waardoor het verschil tussen lonen en uitkeringen toeneemt, niet leidt tot een extra aanbod van arbeidskrachten. Op zich is dat effect er wel, maar volgens Gelauff zullen er ook werkenden zijn die, omdat ze netto meer verdienen, korter gaan werken. Dat laatste effect zou groter zijn, zodat het arbeidsaanbod per saldo zou dalen, aldus de CPB-medewerker.