Heimwee naar het klooster

De Nederlandse universiteiten moeten weer plaats inruimen voor een brede intellectuele vorming, meent J.K.M. Gevers, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam. De universiteiten zijn door een proces van "verstatelijking' te ver afgeraakt van die oorspronkelijke doelstelling, vindt hij.

Met de Nederlandse student is maar weinig mis, zegt de 48-jarige Gevers. Hij kijkt in de Amsterdamse binnenstad toe hoe studenten in het kader van hun ontgroening dagbladen moeten uitventen. Gaan zulke rituelen niet ten koste van hun studie? ""Integendeel, mijn dochter doet het ook en ik denk dat het bijdraagt aan de vorming van jongeren waar de universiteit toch ook verantwoordelijk voor is.''

Er wordt volgens Gevers niet slechter gestudeerd dan vroeger. ""Studenten zijn tegenwoordig zelfbewuster dan in mijn eigen studietijd, doelbewuster ook. Ze werken harder, stellen hogere eisen, zijn breder en internationaler georiënteerd.'' Hij spreekt uit ervaring, door de contacten die hij onderhoudt met studenten van zijn eigen Universiteit van Amsterdam en zijn regelmatige optredens in de collegezalen, als gastdocent sociologie.

Uit Gevers' mond dus geen klaagzang over het Nederlandse onderwijs. Sterker nog: hij vindt dat de opleidingen aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen een vergelijking met het buitenland goed kunnen doorstaan. ""De Nederlandse universiteiten en hogescholen zijn wat dat betreft klaar voor Europa'', meent hij. Trouwens, als er wordt geklaagd over het niveau van een opleiding zit er, behalve gebrek aan kennis van zaken, vaak een bijbedoeling achter, weet Gevers. ""Zo zie je dat technische universiteiten bereid zijn te beweren dat de Nederlandse ingenieur kwalitatief niet meer te vergelijken is met die in het buitenland - gewoon omdat ze een langere cursusduur willen afdwingen. Objectief bezien is er helemaal geen grond voor zo'n bewering. Als je de rapporten leest van de verschillende visitatiecommissies en van de internationale commissie die elektrotechniek heeft vergeleken met de opleiding in het buitenland, zie je dat we nog goed kunnen meekomen.''

Toch is Gevers, die eerder onder andere bestuursfuncties vervulde aan de Leidse Universiteit en voorzitter was van de Vereniging van Hogescholen (de HBO-Raad), niet tevreden over het hoger onderwijs in Nederland, juist omdat hij de studenten en het algemene niveau van de opleidingen hoog inschat. De universiteiten en hogescholen zijn dan niet slecht, ze zijn niet alert genoeg. ""We gaan nog te weinig zorgvuldig om met het aanwezige talent'', meent hij. Het hoger onderwijs is te veel een eenheidsworst. ""De universiteiten en hogescholen opereren tezeer op het middenveld, ze besteden te weinig aandacht aan de top èn aan de onderkant: de uitzonderlijk getalenteerden worden misschien wat aan hun lot overgelaten. Aan de andere kant trekken ze iets te veel hun neus op voor onderwijs dat minder hoog reikt dan het huidige eindniveau.''

Door dat gebrek aan differentiatie verlaten veel meer studenten dan nodig is de universiteit of hogeschool zonder afgeronde opleiding. ""Universiteiten en hogescholen laten zich te veel leiden door het gelijkheidsbeginsel'', aldus Gevers. ""Nog te weinig kom je tegen dat een universiteit besluit iets niet te doen, omdat het aan een andere universiteit al beter wordt gedaan dan dat zij het zelf kan.''

Inertie

De afgelopen jaren heeft Gevers de universiteiten herhaaldelijk opgeroepen alerter te reageren op veranderingen in de buitenwereld, de inertie af te schudden en minder afhankelijk te worden van de overheid. ""Het is opvallend hoe inert universiteiten de afgelopen tien, twintig jaar hebben geopereerd. De verbeteringen die in de jaren tachtig in het hoger onderwijs zijn aangebracht, zijn voor een groot deel te danken aan de overheid'', stelt hij vast. Hij noemt de twee-fasenstructuur, voorwaardelijke financiering van het wetenschappelijk onderzoek en taakverdelingsoperatie aan de universiteiten als voorbeelden van dergelijke verbeteringen. ""Het zijn, helaas, allemaal maatregelen waartoe de overheid het initiatief moest nemen omdat de universiteiten het niet zelf deden.''

Dat geldt, zegt Gevers, eigenlijk ook voor de zorg die universiteiten en hogescholen zouden moeten besteden aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Ook op dat gebied is de overheid als gangmaker opgetreden, constateert hij, al hebben de universiteiten en hogescholen dit keer de ontwikkeling snel en bekwaam opgepikt. ""Men kan zeggen dat na twee decennia concentratie op bestuurlijke condities binnen het hoger onderwijs thans met de aandacht voor kwaliteit weer een gelukkige terugkeer naar de inhoud plaatsvindt - en dat in een samenleving waarin er nauwelijks enige aandacht voor kwaliteit is '', zo schreef Gevers al begin 1988 in het Tijdschrift voor hoger onderwijs.

""Kwaliteit in het hoger onderwijs is primair een individueel gegeven: de kwaliteit van onderzoekers en docenten maakt de kwaliteit van onderwijs en onderzoek uit'', zegt hij nu. ""Zo was het en zo moet het blijven. Maar er komt iets bij. Onderwijs en onderzoek worden voor een steeds belangrijker deel collectieve, soms zelfs massale processen. De organisatie van het onderwijs wordt medebepalend voor studieresultaten; onderzoeksresultaten meer en meer afhankelijk van groepen, instituties en communicatie. Universiteiten en hogescholen bureaucratiseren onvermijdelijk. Dat wil zeggen dat ze niet alleen meer de werkplaats zijn van begaafde individuen, maar dat individuen in hun functioneren ook meer afhankelijk zijn geworden van organisatiepatronen en bestuursprocessen.''

Er is nog maar weinig bekend over het verloop van die processen. Wel is volgens Gevers duidelijk dat bij een kwaliteitsoordeel over onderwijs en onderzoek ook een oordeel moet worden gegeven over de ""natuurlijke biotoop'' daarvan: de universiteit en hogeschool als organisatie en het management ervan. Dat gebeurt tot dusver maar mondjesmaat: ""Facultair beleid, studierichtingscommissies, bibliotheken en laboratoria worden wel in het oordeel van visitatiecommissies betrokken. Maar het bestuur zelf, het klimaat en de organisatie van de universiteit komen niet aan de orde.''

Weer terugnemen

Veel van de taken die de overheid naar zich heeft toegetrokken, moet het hoger onderwijs weer terugnemen, zo stelt Gevers. In zijn redes bij de opening van het academisch jaar, maar ook in de Erasmus-lezing van 1989, breekt hij de staf over de ""verstatelijking van de universiteiten''. Door de groei van de natuurwetenschappen, de daarmee gepaard gaande stijging van de kosten van het wetenschappelijk onderzoek en door de massale toename van het aantal studenten is een vrijwel volledige financiering van de universiteiten door de overheid onontkoombaar geworden. ""Met het geld kreeg de overheid ook invloed op de universiteit zelf, en de universiteiten hebben zich dat erg gemakkelijk laten aanleunen.''

De verstatelijking, aldus Gevers, was in Nederland evenals in grote delen van Europa lange tijd noodzakelijk, paste ook in de ontwikkeling van de moderne samenleving. Maar daardoor lijken de universiteiten langzamerhand vergeten te zijn wat hun eigenlijke taak en functie is. ""De universiteiten verkeren in een identiteitscrisis en voor het grootste deel beseffen ze dat zelf niet. De twintigste eeuw heeft ze meegesleurd in ongekend ingrijpende maatschappelijke processen. De plaats en de groei van de kennis in de samenleving, de mate van deelname aan het hoger onderwijs, de organisatie van het onderwijsbestel, de aard van de overheidsinvloed: wat men ook voor de geest haalt, het is nagenoeg onherkenbaar veranderd vergeleken met vijftig en zeker met honderd jaar geleden.''

Bij de opening van het nieuwe academisch jaar sprak Gevers zelfs met enige nostalgie over de "kritische universiteit' uit de jaren zestig. ""Los van alle onzin die toen werd verteld en de fouten die de adepten maakten was er wel het besef dat de universiteit de maatschappelijke discussies diende te leiden. De universiteit, de academie, moest de voortdurende hete adem in de nek van de samenleving zijn. Dat element zou zich weer veel duidelijker moeten gaan manifesteren'', aldus Gevers.

De oorsprong van de universiteit, brengt hij nog eens in herinnering, was het klooster. Een gemeenschap op afstand van de wereld en in relatieve afzondering van de gebeurtenissen van de dag. ""Dat hoort, met alle veranderingen van de tijd, ook nu nog het specifieke van de universiteit te zijn, hoe lastig het streven ernaar ook is geworden. Een universiteit heeft aan de ene kant natuurlijk ook een heel banale, maar moeilijke taak: het opleiden van grote groepen mensen voor zeer uiteenlopende taken en functies in die samenleving. Maar soms constateer ik verbijsterd dat de slinger doorslaat. ""Dan lijkt het net alsof alles aan een universiteit ergens anders voor moet dienen. Voor de verheffing van het land, voor een gezonde economie, noem maar op. En dat is natuurlijk niet zo. Aan de universiteiten moet ook ruimte blijven voor algemene intellectuele vorming, voor de vorming van kritische, afstandelijke geesten.''

Geschrapt?

In zo'n combinatie van taken hoort de universiteit zich volgens Gevers te hervinden. Daar past een grondige bezinning op het stelsel van hoger onderwijs bij: moet de tweedeling in hogescholen en universiteiten niet worden geschrapt? Gevers noemt het ""uiterst onwaarschijnlijk dat het talent en de belangstelling van de studenten - maar ook de maatschappelijke vraag - optimaal worden bediend door een hoger onderwijs op twee niveau's waarbij universiteiten en hogescholen dan ook nog eens een uniforme cursusduur hanteren.'' Maar daarbij zijn niet langer de nationale grenzen en dus het nationaal beleid bepalend voor de positie van de universiteiten. Het is in Europees perspectief dat de universiteiten en hogescholen zelf hun positie moeten bezien. ""Universiteiten zijn niet gelijk, die van Amsterdam is anders dan die in Tilburg. Dan moet je ook niet doen alsof het om twee dezelfde universiteiten gaat - zoals nu gebeurt.''

Fusies tussen universiteiten en hogescholen zullen in de nabije toekomst onontkoombaar zijn, meent Gevers. ""Maar niet altijd en overal. Dat zal per regio kunnen verschillen.'' In Amsterdam ziet hij dat wel gebeuren. ""Maar het belangrijkste is dat we daadwerkelijk ons onderwijsaanbod differentiëren in niveau en en dus ook in cursusduur. Daarbij zal nog even de hulp van de overheid noodzakelijk zijn. Want die moet zorgen voor een daarop afgestemde wijze van financiering, waarbij wordt afgestapt van het idee dat het onderwijs aan elke student hetzelfde is.''

Gevers: ""Niet elke universiteit is een topuniversiteit. Prestige is niet alleen verbonden met de top, maar met het excellent vervullen van de specifieke missie van elke universiteit in het veelvormige stelsel dat moet onstaan. Universiteiten kiezen daarin positie, kennen hun positie en worden daarvoor gewaardeerd. Aan het verwerven van dat prestige hebben we voorlopig onze handen vol.''