Er rijdt weer een bus naar Bigi Poika

Twee maanden na ondertekening van een vredesakkoord tussen rebellen en regering is de situatie in het binnenland van Suriname nog chaotisch. De opvang van teruggekeerde vluchtelingen komt maar moeilijk op gang. Oud-rebellen klagen dat de regering het akkoord niet uitvoert.

BIGI POIKA, 1 OKT. Triomfantelijk steekt Ramon Sabajo, zonder van de weg op te kijken, vijf vingers in de lucht. “Vijf jaar”, schreeuwt hij boven de reggaemuziek uit naar de passagiers in zijn 26-persoonsbusje. “Voor het eerst in vijf jaar rijdt er weer een bus naar Bigi Poika.” Hij lacht en balt een vuist naar een groep Indiaanse mannen in de berm.

Sabajo, een forsgebouwde Indiaan met het woord "love' getatoeëerd op zijn borst, is met een busje vol familieleden en kennissen onderweg naar zijn geboortedorp Bigi Poika, het voormalige hoofdkwartier van de Indiaanse rebellen die de afgelopen jaren onder de naam "Tucayana-Amazones' dit gedeelte van het Surinaamse binnenland onveilig maakten. Het dorp, zo'n tachtig kilometer ten zuiden van de hoofdstad Paramaribo, is al enige maanden verlaten door de ongeveer zestig bewapende guerrillastrijders die er onder leiding van hun "commandant' Thomas Sabajo kwartier hadden gemaakt.

“Die klootzakken hebben alles kapotgemaakt”, zegt Sabajo, als de eerste hutten van het dorp in zicht komen.

Langs de weg staan tientallen roestende wrakken van vrachtwagens en ander zwaar materieel. Van de meeste zijn onderdelen afgesloopt en is de motor verwijderd. De Tucayana's putten hun inkomsten hier uit de houtkap, waarbij ze gebruikmaakten van gestolen materieel en de goedkope arbeidskracht van de dorpelingen. “Ze zijn steenrijk geworden”, weet Sabajo. De bosexploitanten in Suriname zijn voor miljoenen gedupeerd door de acties van de Tucayana's. De Bruynzeel Suriname Houtmaatschappij heeft laten weten voor zeker 10 miljoen gulden schade te hebben geleden aan materieel en infrastructuur.

Bijna twee maanden na de ondertekening, begin augustus, van een vredesakkoord tussen de Surinaamse regering en de rebellengroepen in het binnenland - het Junglecommando, de Tucayana's en de twee minieme bosnegergroepen de Angula's en de Mandela's - is van "wederopbouw en ontwikkeling' in deze streek nog weinig te merken. Het zijn vooral particulieren zoals Sabajo en internationale hulporganisaties, die een voorzichtig begin hebben gemaakt met het herstellen van de schade en het bieden van opvang aan de vluchtelingen die terugkeren uit het buurland Frans-Guyana. Voor de wederopbouw van Bigi Poika heeft Sabajo een stichting opgericht, die mede een beroep wil doen op de “ten minste honderd” oud-dorpelingen die volgens hem in Nederland wonen. In het dorp is het doodstil. De volwassenen werken op hun "kostgrondjes' in het bos, een groepje kinderen slentert langs de autowrakken. Ooit telde Bigi Poika ("Groot-Poika') zo'n vijfhonderd inwoners, nu woont er nog maar een handvol families - minder dan honderd mensen.

Pag.2: Wedloop op hout en goud van Suriname; "Het wordt steeds moeilijker de jongens rustig te houden'; "Doe goed en zie niet om, want de wereld heeft geen dank'

Veel dorpelingen zijn onder het bewind van de Tucayana's gevlucht. Zelf woont Sabajo al jaren in de Paramaribo, maar om zijn geboortedorp te helpen, laat hij sinds een paar maanden, na het vertrek van de Tucayana's, dorpelingen naar de stad en terug vervoeren met een oude DAF-truck. De vrachtwagen, beladen met zakken rijst, dendert nu achter het busje aan, dat voor het eerst de route aflegt.

De 40-jarige Ramon koestert een persoonlijke wrok jegens de mannen van Thomas Sabajo, overigens enkel naamgenoot en geen familie van hem. Op 26 augustus werd zijn jongere broer Roy bij een handgemeen doodgeschoten door een van de twee lijfwachten die Thomas in het dorp had achtergelaten om zijn bezittingen te beschermen. Uit wraak vernielden de dorpelingen een speedboot van Thomas en staken ze enkele hutten in brand die hij had laten bouwen. De lijfwachten werden naderhand door Thomas in Paramaribo aan de politie uitgeleverd.

“Hier hebben ze mijn broertje vermoord”, zegt Sabajo, bij een houten paalwoning middenin het dorp. In deze woning had Thomas zijn intrek genomen. Bovenaan de trap gapen twee kogelgaten, op de plek waar Roy Sabajo werd neergeschoten. In de woonkamer ligt de hoes van een reggae-elpee, op tafel staat een lege doos Johnny Walker-whisky. Op een plank ligt het kasboek van de huisbar: “Uit de magazijn gehaald 10 kratten bier”, vermeldt een willekeurige vrijdag. Op de kaft staat in het Surinaams: “Doe goed en zie niet om, want de wereld heeft geen dank”.

De dorpelingen zagen de Tucayana's maar al te graag vertrekken, bevestigt dorpsonderwijzer Charles Arumjo (43). “Aanvankelijk dachten we dat het een goeie zaak was toen ze hier kwamen, een strijd voor de grondrechten van Indianen. Maar ze werden al snel vervelend. Ze gebruikten de mensen als slaven, voor de houtkap. Vooral in het weekeinde, als ze dronken waren, werd er in het wilde weg op los geschoten.” Alleen over de cocaïnehandel die de Tucayana's volgens getuigenverklaringen in het dorp bedreven weet Arumjo niets, zegt hij. Hij schudt zijn hoofd: “Dat heb ik nooit gezien.”

De Indiaanse rebellen beweerden te strijden voor de rechten van de inheemse bevolking, die sinds jaar en dag moest toezien hoe hun woongebieden werden geëxploiteerd door bosbouwondernemers. Volgens kritici was de nieuwe rebellengroep - opgedoken kort na ondertekening van een vredesakkoord tussen de regering en het Junglecommando van Ronnie Brunswijk in 1989 - echter een creatie van legerleider Bouterse. Hij zou hen gebruiken om de situatie in het land te destabiliseren en bescherming te bieden voor de drughandel die onder zijn auspiciën in het binnenland zou floreren. “Guerrillastrijders? Het waren gewoon bandieten”, gnuift Ramon Sabajo.

In Oost-Suriname zwaaide jarenlang de tweede grote rebellengroep in Suriname, het Junglecommando van boslandcreolen onder leiding van Ronnie Brunswijk, de scepter in Oost-Suriname. Het gebied werd verwoest, veel mensen vluchtten naar Frans-Guyana. Onderweg naar Albina zijn nu de allereerste pogingen tot herstel zichtbaar. Verlaten hutten van boslandcreolen zijn weer betrokken, op kaalgekapte plekken in het bos zijn blank-houten hutten en woningen in aanbouw. Voorbij het bauxietstadje Moengo neemt het aantal overwoekerde ruïnes langs de weg toe.

Albina, aan de grensrivier de Marowijne, was ooit een geliefd vakantieoord voor Surinamers. Tijdens de vijandelijkheden tussen leger en Junglecommando werd het nagenoeg volledig verwoest. Nog altijd is er geen stromend water, maar de straten zijn niet langer uitgestorven. Van de 6.000 vluchtelingen die in kampen aan de overkant van de rivier waren ondergebracht, zijn al enkele duizenden teruggekeerd, velen met de vertrekpremie van 4.000 francs op zak die Frans-Guyana tot 1 oktober verstrekt. Ongeveer duizend vluchtelingen zijn ondergebracht in het gehavende stadje. De overheid kan de opvang van de repatrianten nog nauwelijks aan.

Door de ongeregelde toestand in de stad hebben hulpverleners veel te verduren van criminelen, vertelt de 51-jarige zendeling Robert Sussenbach van de Nederlandse Filadelfia Zending in een recent herstelde woning met uitzicht op de Marowijne. Op het gehaakte tafelkleed met rozenmotief staat een doos speculaasjes: sinds enkele maanden heeft hij hulp van een handjevol Nederlandse vrijwilligers. Twee grijze dames uit Alphen aan den Rijn helpen met het lossen van een 14 meter lange container met hulpgoederen die net uit Nederland is aangekomen.

Veel huizen aan de rivier zijn beroofd van hun zinken daken, leegstaande woningen worden gekraakt. Op de bovenverdieping van een beschadigde vakantievilla aan het water zijn twee jonge zwarte mannen een provisorisch timmermansbedrijfje begonnen. Op de grond ligt een in blank hout ingelijste militair diploma, ondertekend door bevelhebber Bouterse. “Jullie moeten je wel aanmelden, anders krijg je problemen”, zegt Sussenbach tegen een van de twee. De jongen eet onverstoorbaar met drie vingers verder uit zijn kommetje rijst. “Het is nog echt improviseren, hier”, zeg Sussenbach. “Gelukkig hebben we nooit last van de "Jungles'. Ronnie heeft behoorlijke tucht onder zijn jongens.”

Op grond van het vredesakkoord moesten de leden van de rebellengroepen worden ontwapend en gedemobiliseerd. In ruil daarvoor is hun amnestie verleend voor misdrijven begaan tijdens de "binnenlandse oorlog', die naar schatting het leven heeft gekost aan 600 tot 800 mensen. Ook heeft de regering, ten minste zo belangrijk, toegezegd dat de indianen en boslandcreolen in het binnenland eigendomsrecht krijgen op hun dorpsgronden, alsmede een grotere zeggenschap in economische activiteiten in hun woongebieden.

“Dat was hard nodig”, zegt mr. H.R. Libretto, districtscommissaris van Sipaliwini, het district dat het grootste deel van het binnenland beslaat. Veel te lang is er centraal vanuit Paramaribo beslist over het wel en wee van indianen en boslandcreolen, meent hij. “Vooral de Indianen zijn de dupe geworden van economische activiteiten in hun gebieden. Ze kregen niks, hun gebieden werden gewoon leeggeplunderd. Dat kan nu niet meer: de bewoners zullen hun deel moeten krijgen.”

Door de regering gevierd als een groot succes, dreigt het vredesakkoord op belangrijke onderdelen te stagneren. De Tucayana's hebben 116 vuurwapens ingeleverd, het Junglecommando 72 (de Angula vijf en de Mandela's twee), maar alom wordt er rekening mee gehouden dat wapentuig is achtergehouden. Een politieman in Paramaribo vertelt dat hij onlangs “twee Jungles op een motor tegenkwam, met een automatisch wapen achterop in een plastic zak”. Brunswijk en Thomas hebben, omwille van de veiligheid van hun commandanten, de regering al het recht gevraagd vuistvuurwapens te dragen.

Beide ex-rebellen klagen steen en been over het gebrek aan tempo van de overheid, die haar beloften niet zou nakomen om direct een begin te maken met de economische ontwikkeling van het binnenland. Evenmin is begonnen met de beloofde integratie van ex-manschappen van het Junglecommando in het politiekorps, een voornemen dat bij de Surinaamse Politiebond op grote reserves is gestuit. “Wij willen echt geen moeilijkheden, maar het wordt steeds moeilijker de jongens rustig te houden”, liet Brunswijk onlangs in een verklaring vanuit zijn hoofdkwartier te Moengotapoe weten.

“We zitten in een overgangsfase”, erkent in Paramaribo minister van sociale zaken Willy Soemita, die het vredesproces coördineert. Hij heeft er begrip voor dat Brunswijk en Thomas voorlopig nog gewapende bescherming willen. “Ik neem aan dat zij hun redenen hebben. U moet begrijpen, we hebben hier gedurende zes jaar een oorlogssituatie gehad.” De prijs die voor vrede is betaald - de amnestie, die in de Surinaamse publieke opinie uitgesproken slecht is ontvangen - vindt Soemita niet te hoog. “Als we een hoge prijs moeten betalen voor vrede, dan moet dat maar. Suriname is daarin beslist niet uniek, kijkt u naar Nicaragua, El Salvador.”

Inmiddels tekent zich een hernieuwde economische wedloop af door particuliere ondernemers - de ex-rebellen voorop - op het goud- en bosrijke binnenland. Brunswijk en Thomas hebben ieder voor zich stappen ondernomen om, zoals Soemita zegt, hun “persoonlijke economische weerbaarheid” veilig te stellen. Economie speelde vanaf het begin al een belangrijke rol in de totstandkoming van het vredesakkoord: het zich jarenlang voortslepende "vredesproces' kwam pas in een stroomversnelling nadat het bosbouwbedrijf Inply van de zakenman Kenneth Tjon A Loi in april dit jaar een overeenkomst sloot met Brunswijk en Thomas, terwille van de economische ontwikkeling van het binnenland.

“Ik heb tegen ze gezegd: ik wil wel investeren, maar dan moet er eerst vrede komen”, zegt de 47-jarige Tjon A Loi in zijn kantoor aan huis in Paramaribo. Hij toont een exemplaar van de overeenkomst. Daarin beloven Brunswijk en Thomas dat "bij de sociaal-economische ontwikkeling de NV Inply als mede-initiatiefnemer betrokken zal zijn'. “Ik wil een voorbeeld geven hoe je mensen vooruit kunt helpen zonder weer een beroep te doen op de overheid”, aldus Tjon A Loi.

De zakenman, die ook handelt in scheepstoebehoren en industriële veiligheidsuitrusting, hoopt zich met de overeenkomst te verzekeren van een voorsprong bij de ontwikkeling van het gebied. Hij heeft zijn zinnen gezet op een bosbouwproject van 400.000 hectare, dat per maand 8.000 kubieke meter hard- en zacht hout moet opleveren. Vier fabrieken moeten per jaar 2.048.000 vezelplaten afleveren. Kader kan worden geschoold in een op te richten "bosbouwfaculteit'. Hij heeft al contacten gelegd met een jongerenstichting in Den Haag, om “Surinamers en medelanders” te werven voor werk in het binnenland. Geïnteresseerden kunnen rekenen op “een bosrijke omgeving” en een modelbouwwoning met drie kamers, dezelfde soort die Brunswijk ter beschikking zijn gesteld voor zijn mannen in Moengotapoe. De zakenman overweegt voorts afgekickte junkies uit Nederland in het bos te laten werken, als arbeidstherapie.

Diezelfde middag komt loopt ex-Tucayana-commandant Thomas, gekleed in een mouwloos zwart hemd en afgeknipte spijkerbroek, bij Tjon A Loi binnen om over zaken te praten. Hij wil een mijnbouwbedrijf beginnen in het Tibiti-gebied, vertelt hij. Het bedrijf gaat "Kume' heten, een woord met een speciale betekenis - maar welke? “Dat ben ik vergeten”, lacht Thomas. De steenslag die hij produceert zal worden afgenomen door Tjon A Loi, voor de aanleg van wegen.

Over de gebeurtenissen in Bigi Poika wil Thomas niet veel kwijt, alleen dat het “een persoonlijke kwestie” was. Hij kan nog beslist in het dorp terecht, zegt hij: “Voor mij is het overal veilig.” En de verhalen over zijn betrokkenheid bij drughandel en zijn relatie met Bouterse? “Dat over die drugs is een tekenfilm, man. Pure fantasie. En als ik met Bouterse samenwerkte had ik toch geen bedrijf meer nodig? Ze zeggen ook dat we onze wapens van hem hebben gekregen, maar dat is onzin. Die hebben we van de volksmilities die na de revolutie in 1980 werden ingesteld.”

Tegen het einde van de middag doet Tjon A Loi Thomas, met vrouw en kind, uitgeleide. Hij plukt wat fruit uit eigen tuin voor het gezin, dat het erf afrijdt in een zilverkleurige BMW. Tjon A Loi hoopt vurig op medewerking van de overheid, maar “als men rotzooit met dit project, ga ik de rijst in”, zegt de bosbouwer, die fel berichten weerspreekt dat ook hij een "Bouterse-man' is en betrokken zou zijn bij drugshandel. “Ik heb niets met Bouterse te maken, meneer. Ja, ik koop wel eens een sinaasappel van hem - hij handelt in sinaasappels - maar verder niets.”

Volgens minister Soemita zal Inply, “net als alle andere gegadigden” aan de gebruikelijke vergunningen moeten voldoen om in het binnenland aan de slag te kunnen. Districtscommissaris Libretto heeft tot nu toe één contract onder ogen gehad van Inply en dat was niet echt voordeliger voor de inheemse bevolking dan de contracten uit het verleden, zegt hij. “Zij brengen de machines in en delen de opbrengst met de concessiehouder, maar dat is ook wat er in het verleden gebeurde. We willen nu juist dat heel de gemeenschap profiteert. Dus als je ergens een zaagmolen neerzet en je hebt je geld eruit gehaald, dan moet je dat ding voor de mensen achterlaten - dan krijg je pas ontwikkeling.”

Libretto houdt zijn hart vast voor nieuwe “wild-west-toestanden” in het binnenland, waar volgens hem in sommige streken al een ware goudkoorts heerst. “Ik geloof wel dat Thomas en Brunswijk echt een verbetering voor het binnenland nastreven. Alleen, ik weet niet of ze zonder wapens nog een wezenlijke bijdrage zullen leveren. Ze zullen het nu met hun hoofd moeten doen, en ik weet niet hoeveel daar uit komt.”

    • Sjoerd de Jong