Eigen weg van het CDA is een opportunistische politieke mythe

Zoals uit een kort overzicht in de rubriek De Haagse Staat (NRC Handelsblad, 21 september) blijkt, denken niet alleen protestanten en katholieken verschillend over het christelijk gehalte van de christendemocratie, maar ook katholieken onderling. De discussie hierover is kortgeleden weer ontbrand na een interventie van CDA-voorzitter W. van Velzen te dien aanzien. W. Goddijn constateerde in dit blad onlangs terecht dat de grondslagendiscussie nog onverminderd actueel is.

Zoals bekend, is die discussie na de oorlog aangezwengeld door de Doorbraakbeweging. Zij stond toen in dienst van de expansiedrang van de PvdA en werd daardoor sterk vertroebeld. In onze tijd van ideologische ontzuiling en steeds verder doorwerkende secularisatie is er alle reden voor een nieuwe publieke discussie, maar nu zonder politieke bijbedoelingen, over de actuele positie van de christen-democratie. Die positie is alleen goed te begrijpen in een historisch perspectief.

Christelijke partijvorming is in de vorige eeuw ontstaan als politiek instrument waarmee protestanten en katholieken zich op grond van de eigen, bedreigd geachte traditioneel-christelijke principes en waarden trachtten te verzetten tegen de doorwerking van de liberale en democratische beginselen der Franse Revolutie in het openbare leven. Als zodanig hadden die partijen een duidelijke, traditioneel-christelijke identiteit en behoorden zij op grond daarvan tot de rechterzijde der Nederlandse politiek. In de naoorlogse Doorbraak-strijd heeft men opnieuw geprobeerd die identiteit nieuw leven in te blazen door de kerstening van de moderne cultuur, dus de terugdringing van het secularisatieproces, tot inzet te maken van politieke strijd, maar die poging is in retoriek blijven steken.

De jaren zestig betekenen in de ontwikkeling van de christelijke politiek een keerpunt, omdat toen een proces op gang kwam in de richting van één christendemocratische partij, maar ook omdat de christen-democratie zich sindsdien steeds meer heeft aangepast aan de geest van de moderne geseculariseerde cultuur, waardoor zij steeds meer in de greep raakt van de seculiere waareden van die cultuur. De verbinding van christendom of evangelie met politiek wordt daardoor steeds problematischer, ja, zoals de toenmalige CDA-minister van Justitie J. de Ruiter in 1980 in AR-Staatkunde opmerkte, “een bijna ondragelijke last”.

In het Program van Uitgangspunten van het CDA, dat nu opnieuw ter discussie staat, werd niettemin vastgehouden aan de pretentie dat het CDA een eigen politieke overtuiging heeft die als zodanig een antwoord is op de oproep van het Evangelie. Die overtuiging werd echter wel in zeer algemene termen geformuleerd, zo algemeen zelfs, dat een prominent christen-democraat als P.J. Boukema in Christen-democratische Verkenningen verklaarde daarin geen typisch christelijke beginselen te kunnen zien. Die beginselen kunnen inderdaad evenzeer tot het Europese humanisme worden herleid, maar humanisme was en is als inspiratiebron nog steeds taboe in christendemocratische kring. Socioloog en prominent christen-democraat A.C. Zijderveld verklaart de wijze waarop die politieke overtuiging is geformuleerd, terecht als een proces van ideologische ontzuiling, dat wil zeggen een vaag en algemeen worden van christendemocratische normen en waarden die al naar gelang de politieke behoefte nu eens centrum-links, dan weer centrum-rechts worden geïnterpreteerd en dus nimmer principieel en scherp worden omlijnd.

Dank zij die ideologische ontzuiling kan het CDA zich richten tot de hele bevolking zonder geloofsonderscheid en dat heeft er dit jaar toe geleid dat een hindoestaan lid kon worden van de christendemocratische Tweede Kamerfractie. Een hindoestaan kan de politieke overtuiging van het CDA echter niet onderschrijven als antwoord op het evangelie of de bijbel en dat is toch een formeel vereiste als men de eigen grondslag serieus neemt. Hier botst het streven naar openheid op dat naar instandhouding van een eigen christelijke signatuur.

Officieel houdt het CDA nog steeds vast aan de pretentie dat het een eigen weg gaat zoals ook de titel van de dissertatie van H. ten Napel over het ontstaan van het CDA luidt; een weg die losstaat van het links-rechts schema en zeker ook niet mag worden vereenzelvigd met een centrumpositie. Premier Lubbers verklaarde onlangs nog in zijn boek Samen op weg (1991) dat hij die positie zelfs verafschuwt. Die positie wordt namelijk in strijd geacht met de evangelische inspiratie van het CDA. Wie zo'n positie verdedigde zoals ik bij de voorbereiding van het CDA deed, gold als dissident en viel derhalve buiten de boot. Curieus is wel dat men op Europees niveau het centrum-karakter van de christendemocratische Europese Volkspartij juist accentueert. Hoe principieel is derhalve die verwerping van een centrumpositie?

Als men uitgaat van de politieke praktijkervaring, valt moeilijk te ontkennen, dat die eigen christendemocratische weg een politieke mythe is, die men vooralsnog in stand houdt om redenen van politieke opportuniteit. In feite is de christen-democratie een in christelijke termen gepresenteerde variant geworden van de burgerlijk-liberale ideologie die aan ons staatsbestel ten grondslag ligt, zoals CDA-ideoloog E.M.H. Hirsch Ballin in Christendemocratische Verkenningen onverbloemd heeft erkend. In de praktijk laat de christen-democratie zich in hoofdzaak leiden door de beginselen en waarden van die ideologie (vooral de beginselen van de markteconomie en van de democratische rechtsstaat en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek), en de pragmatische regels van politieke strategie en tactiek, die zij op heel bekwame wijze toepast. Daardoor weet zij zich op behendige wijze aan te passen aan veranderende omstandigheden en de wisselende kansen van het politieke machtsspel.

Het beroep op evangelische of bijbelse inspiratie als onderscheidend kenmerk herinnert nog enigszins aan het confessionele verleden maar biedt in politiek opzicht weinig houvast. Op grond van die inspiratie zijn in de afgelopen eeuwen en zeker ook in het eigen christendemocratische verleden de meest tegenstrijdige standpunten ingenomen en verdedigd. Zolang een beroep op die inspiratie bijdraagt tot politieke zelfhandhaving, vervult het niettemin een zekere politieke functie. Zodra dat niet langer het geval is, zal dit beroep probleemloos worden prijsgegeven. In de politiek wordt de instandhouding van ideologische pretenties uiteindelijk bepaald door de eisen en belangen van de politieke (machts)-strijd. Vandaar dat socialistische partijen nu zonder veel discussie het socialisme als onderscheidend politiek kenmerk loslaten.