Een kleine Economische en Monetaire Unie

Het zag er allemaal zo veelbelovend uit, eind vorig jaar in Maastricht.

In 1997 of op z'n laatst in 1999 moest de Economische en Monetaire Unie (EMU) er zijn. Het huidige Europees Monetair Stelsel (EMS) is een valutasysteem waarbinnen de wisselkoersen beperkt kunnen schommelen en waarin de munten zonodig hun koers kunnen aanpassen door re- of devaluaties. In een aantal stappen zou het EMS worden omgevormd tot een stelsel van vaste, niet aanpasbare koersen. En aan het eind van de rit zou iedere Nederlander zijn guldens bij de bank kunnen omruilen voor gloednieuwe Europese ecu's (European Currency Unit), net als de Duitsers, Fransen, enzovoort. Vanaf dat moment zou het afgelopen zijn met het omwisselen van de ene Europese valuta in de andere. En, nog belangrijker, van valutarisico's zou binnen Europa geen sprake meer zijn.

Nu lijkt de EMU ver weg. De Italiaanse lire en het Britse pond zijn "tijdelijk' uit het EMS gestapt. Gestapt? Geschopt! Als beleggers met z'n allen, om welke reden dan ook, vinden dat een Brits pond niet meer waard is dan hooguit 2,90 gulden, dan krijgt de financiële markt gelijk. Ook al roepen alle centrale-bankpresidenten in koor dat de koers van die munt niet lager mag zakken dan 3,13 gulden. Dan kan de Bank of England de Britse rente een stukje verhogen om het beleggen in ponden aantrekkelijker maken. Dan kunnen de Europese centrale banken massaal Britse ponden opkopen om de vraag naar die munt (kunstmatig) te vergroten. Als de markt zijn tanden laat zien, komt er bloed.

De valuta-onrust van de laatste weken is geen toeval. De oorzaak ervan ligt niet bij op hol geslagen financiële markten. De Britse en de Italiaanse economie doen het al jaren slecht vergeleken met die van Duitsland, Frankrijk, Nederland, België en Luxemburg. Dat moest een keer tot uitdrukking komen in de koers van hun munten. De vraag is eerder: waarom is dat nu pas gebeurd?

Blijkbaar hebben de financiële markten zich lange tijd in slaap laten sussen door de EMU-belofte. "Als er binnen afzienbare tijd één Europese munt komt, dan hoeven we nu al niet meer bang te zijn voor devaluaties, ook niet voor die van de lire of het pond'. Zoiets moeten beleggers hebben gedacht. Hoewel ze heel goed wisten hoe beroerd de Italiaanse en de Britse economie ervoor stonden, stopten de beleggers hun geld toch in lires en ponden om te profiteren van de hoge rente in die landen.

Het Deense nee tegen Maastricht en de onzekerheid over de uitkomst van het Franse referendum heeft ze wakker geschud. Ik laat de modale belegger maar weer even aan het woord: "Als die EMU niet meer zo zeker is, dan zouden de lire en het pond dus wel in koers kunnen zakken. Laat ik maar gauw mijn lires en ponden wisselen voor Duitse marken of Nederlandse guldens.'

Een EMU waarin Italië en Groot-Brittannië meedoen, is zeker niet binnen de geplande tijd te realiseren. Om nog maar te zwijgen over de andere zwakke broertjes binnen Europa: Portugal en Griekenland. En als de Denen bij hun afwijzing blijven, doet ook de Deense kroon niet mee.

Moeten we die EMU voorlopig vergeten? Of moeten we dan maar in een klein clubje verder, een Europa van twee snelheden dus? Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie, vindt dat laatste. En een aantal Duitse, Franse en Belgische ministers denkt dat ook, hoewel ze dat nog niet officieel gezegd willen hebben. De Benelux-landen en Frankrijk koppelen hun munt al een tijdlang onwrikbaar vast aan de Duitse mark. In plaats van de binnen het EMS voorgeschreven 2,25 procent maximale afwijking van de D-mark, hanteren zij een marge van 1 procent. En met succes. Hun winst bestaat uit een lage inflatie en een lage rente. Een kleine EMU heeft voor die landen het grote voordeel zij voortaan ook mee mogen praten over het gemeenschappelijke geldbeleid. Nu wordt het monetair beleid voor hen in Bonn gemaakt.

Een ander voordeel betreft de Europese eenwording als geheel. De treuzelaars en twijfelaars worden door de vorming van een mini-EMU onder druk gezet. Dat brengt de vaart misschien weer in het integratieproces. De andere EG-landen zullen wat meer haast maken om orde op zaken stellen in hun eigen economie, zodat ze ook lid kunnen worden van die succesvolle club.

    • Jan Pleus