De boer wilde terug wat hem toebehoort; Bulldozers schoven alle huizen van het dorp in drie kuilen; Twee jaar lang zijn landbouwmachines niet onderhouden

Na Ceausescu's politiek van sistematizare, die de vernietiging van duizenden boerendorpen beoogde, lopen de gemeenschappen weer vol en krabbelt de Roemeense landbouw overeind. Het gecollectiviseerde land is verdeeld onder vijf miljoen nieuwe privéboeren, die zich verenigen in nieuwe coöperaties. Alexandru Costache is een van hen.

VLADICEASCA, 1 OKT. Hij heeft nu vijf pogoane, zegt hij, vijf keer vijfduizend vierkante meter. Maar met boeren zijn we nog niet begonnen, ja, maïs hadden we dit jaar, maar de oogst is mislukt, het heeft twee of drie maanden niet geregend. Hij wijst naar zijn huisje: en we hebben er wat aangebouwd, zoals je ziet. En hij lacht, Alexandru Costache, en legt tussen de stoppels een gebit vol gaten bloot. Maar hij heeft niet zoveel om over te lachen.

Costache boert in Vladiceasca, onder de rook van Boekarest, een broodmagere man van tweeënzeventig in een jasje vol gaten en een honderd keer verstelde broek. Kort grijs haar, grote ruwe handen. We kennen hem van vorig jaar. Toen was hij net naar Vladiceasca teruggekeerd, of liever: naar de plek waar tot 1988 Vladiceasca had gestaan. In juli van dat jaar waren de soldaten en de bulldozers van Nicolae Ceausescu gekomen. Ze hadden drie grote kuilen gegraven en daar zonder pardon alle huizen van het dorp ingeschoven. Sistematizare heette dat: het Genie van de Karpaten wilde zeven- van de dertienduizend Roemeense dorpen opruimen en de boeren in flats onderbrengen. Om de verschillen tussen stad en platteland op te heffen, zoals het heette. Beton was modern, flats waren modern. De boeren moesten ook modern worden, en Alexandru Costache was, met de andere boeren van Vladiceasca, een vroeg slachtoffer van dat plan.

De kerstrevolutie van 1989 heeft duizenden dorpen gespaard van het lot dat Vladiceasca een jaar eerder had getroffen, en in 1990 kwam Costache naar de kale vlakte van zijn verdwenen dorp terug, 71 jaar oud. Hij peuterde van de autoriteiten een kaveltje van vijfduizend vierkante meter grond los - grond die hij zelf ooit bij de coöperatie had ingebracht - groef een put voor het water en bouwde met blote handen een huisje op, met hout dat hij uit het bos pikte.

Hij nodigt ons binnen, in hetzelfde klam-vochtige kamertje waar we hem toen spraken, er staat nog steeds geen stoel, er staan alleen een kist, een fornuis en een bed. Nee, zegt hij, en hij grijnst, hij wil niet zeggen of het nu beter of slechter gaat dan vorige keer. “Je kunt het zelf zien, het gaat niet beter of slechter, het gaat zoals het gaat.”

Hij heeft nu vijf keer zoveel grond als vorige keer, maar de eigendomspapieren heeft hij nog steeds niet. Hij kreeg dat nieuwe land ook niet voor niets; 12.000 lei per hectare kostte het - duizend lei is vier gulden -, dat is niet duur, maar, zegt hij, dat geld had ik niet, dat moest ik lenen, ik heb maar zesduizend lei pensioen in de maand. Hij moest ook betalen voor het ploegen en het gebruik van machines en gereedschap, die bevonden zich nog in het bezit van de coöperatie en die moest je huren. Zonder mijn pensioen, zegt hij, hadden we het nooit gered. We zouden zijn omgekomen.

Hij laat het huis zien, hij is er trots op. Anderhalf jaar geleden was het nog maar een hutje. Nu heeft hij er aan de twee dwarszijden een stuk bijgebouwd, het is bijna twee keer zo groot. Het hout pikt hij nog steeds uit het bos, al het materiaal, zegt hij, komt ergens vandaan, want ik kan geen achthonderd lei betalen voor een zak cement, of 12.000 lei voor een kubieke meter gezaagd hout. Elektriciteit heeft hij ook gekregen. Het heeft me 34.000 lei gekost, zegt hij, die hij heeft moeten lenen, maar later kreeg hij 20.000 lei terug. Van wie? Ja, dat weet ik niet. Van de regering misschien?

Hij wijst naar het dak, het is mooi hout, zegt hij. Aan de dakranden heeft hij, heel primitief, zelf wat houtsnijwerk gemaakt. Het is niet zo mooi als het was, zegt hij, Vladiceasca was een mooi dorp met ruime huizen en tuinen, maar misschien komt het wel weer terug, alles moet groeien.

Costache en zijn vrouw leven van de moestuin rond het huis, er staan paprika's en tomaten en kool. Het was genoeg voor onszelf, zegt hij, vlees eten we niet en brood kopen we in het dorp.

De Roemeense landbouw krabbelt overeind. Het gecollectiviseerde land is verdeeld onder vijf miljoen nieuwe privéboeren: 81 procent van alle landbouwgrond. Het heeft veel tijd gekost en veel conflicten opgeleverd, moorden zelfs, over de vraag wie zich waar mocht vestigen en wie hoeveel land zou krijgen: er waren meer belangstellenden dan hectaren. De Roemeense boer wilde terug wat hem had toebehoord, niks meer en niks minder, en dat gaf de nodige problemen, want velen kregen minder dan ze vroeger hadden gehad. Bovendien verliep de landverdeling met veel bureaucratische rompslomp, en dat stoorde het werk, het zaaien, ploegen, oogsten. Menigeen nam liever het recht in eigen hand en nam wat hij vond dat hem toekwam.

In Maramures in het noorden kwam het zelfs tot lokale opstandjes: honderden boeren - etnische Oekraïeners - stonden op tegen de lokale overheid, omdat hun land bij anderen was terechtgekomen, ze trokken naar de grens en vroegen hun volksgenoten aan de andere kant een handje te komen helpen. De toestand liep dermate uit de hand dat president Iliescu een adviseur moest sturen in de boze boeren te sussen.

Daarbij kwam dat de boeren geen zaaigoed hadden, geen tractoren en ploegen en andere werktuigen. Twee jaar lang heeft onzekerheid geheerst - in die tijd zijn landbouwmachines niet onderhouden en veel ervan zijn niet meer te gebruiken. Dat de landbouwproduktie nog altijd niet boven die van vorig jaar ligt, en dat de opbrengst per hectare maar eenderde van die in Hongarije bedraagt terwijl de grond veel beter is, heeft aan die onzekerheid gelegen, en aan de overheid, niet aan de boeren: die kunnen nauwelijks wachten tot ze kunnen beginnen, die zouden het land nog met hun nagels bewerken, als ze maar wisten welk land.

Veel boeren verenigen zich in nieuwe coöperaties, vrijwillige ditmaal, die ze het beheer geven over de tractoren en zware machines van de oude coöperatie en die ze gebruiken als verkooporganisatie. Er zijn al vierduizend geregistreerde vrijwillige coöperaties en rond twaalfduizend niet-geregistreerde.

Al die problemen spelen ook in Vladiceasca, zegt Costache. Het dorp is weer volgelopen, deze anderhalf jaar: alle boeren die naar de flats van het naburige Ghermanesti waren verbannen, zijn teruggekeerd, hebben hun huisjes opgebouwd, hun hekken opgetrokken en putten gegraven. Sterker nog, zegt hij, we zijn met meer dan vroeger, we zitten wel op honderdvijftig procent, want er zijn ook nieuwe inwoners, mensen die een stukje land hebben geërfd van boeren die dat in de jaren vijftig bij de coöperatie hebben ingebracht en sindsdien zijn gestorven.

Ook de boeren van Vladiceasca willen wel een vrijwillige coöperatie, zegt hij, ze denken nog na over de precieze vorm. Sommigen willen de samenwerking beperken tot de gezamenlijke aanschaf van machines. Maar dat is moeilijk, zegt hij, want dan moet je als aanbetaling tienduizend lei op tafel leggen en zoveel heeft niemand. Een grote tractor kost twee miljoen lei, een kleine de helft.

Hij wil wel toegeven dat het heel moeilijk gaat. Hulp heeft hij niet gehad, hij kan er nog overstuur van raken. De regering heeft zoveel beloofd, en ze belooft nog steeds veel, maar ze doet niets! Ik heb twee oogoperaties gehad, zegt hij, ik kan niet meer zo hard werken als vroeger. Soms denkt hij erover om zijn land te verkopen, dat doen sommige oude mensen in het dorp, je krijgt er nu een heel behoorlijke prijs voor. Ja, er is belangstelling, voor jonge en sterke mensen is het hier niet slecht, zegt hij. Hij zucht even: de mensen zijn niet allemaal gelijk! Maar, zo voegt hij er meteen aan toe, als om zichzelf te corrigeren, dat verwacht ik ook niet.

Financieel kan hij zich niets veroorloven. In de afgelopen anderhalf jaar heeft de moestuin hem één keer in staat gesteld naar de stad te gaan met een mand met tomaten en die op de markt te verkopen. Maar vaker dan die ene keer is dat niet gelukt. Het lukt hier nog niemand, zegt hij. En de bus is niet meer te betalen: een rit naar Boekarest kost honderd lei. Boeren kunnen niet meer reizen.

Ik begrijp het niet, zegt hij, alles is zo duur! In Ceausescu's tijd nam ik driehonderd lei en dan kwam ik uit de stad terug met manden vol spullen. Maar nu? Hij wijst op de gaten in zijn broek: als ik morgen doodga, waarin moeten mijn kinderen me dan begraven? Hij heeft geprobeerd een nieuw pak te kopen, met het oog op die begrafenis, hij had al zijn geld genomen, vijfduizend lei, en was naar de stad gegaan. Maar in de winkel zeiden ze: domnule, een pak kost nu 25.000 lei. Ik ben maar weer weggegaan, zegt Costache. Ik schaamde me zo.

Ook nieuwe schoenen kan hij zich niet meer veroorloven, die kosten 3600 lei. Vroeger kostten ze 140 lei, ik dacht dat dat nog zo was, zegt hij boos.

Hij staat op. Als we langs de moestuin naar de weg lopen, wijst hij nog even achterom, naar zijn huisje. “Kom volgend jaar maar terug, dan is het dak klaar. En misschien hebben we dan wel geoogst.” Als het regent, zegt hij. Als het regent, en als God het wil.

    • Peter Michielsen