Catastrofaal familie-avondje voortreffelijk geënsceneerd

Voorstelling: Herfst en winter van Lars Norén door Antigone. Regie/vertaling: Karst Woudstra. Spel: Chris Lomme, Dries Wieme, Mieke de Groote, Rosemarie Bergmans. Gezien: 30/09, Brakke Grond, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 3/10, elders t/m 20/11.

Ooit liet de Zweedse toneelschrijver Lars Norén in een interview weten "regels zonder woorden' te willen schrijven. Hij wilde, net als Pinter, "blanke momenten' scheppen, het raadsel moest vooral uit stilte gaan bestaan. Nu is het hoge tempo waarin Norén stukken produceert nauwelijks bij te houden, maar voorzover ik weet, is hij nog steeds niet in zijn opzet geslaagd. Zijn werk bestaat juist uit overvolle regels, uit oneindig veel woorden.

Ook Herfst en winter (1991) is geen uitzondering, en niet alleen dank zij de lengte van het stuk. Geen woord, geen gedachte is door Norén te veel bevonden, zo lijkt het wel, publiek en spelers krijgen nog geen seconde adempauze. Bovendien is het stuk zelf binnen het oeuvre van Norén rijkelijk overbodig: in Herfst en winter herhaalt hij wat hij al gezegd heeft in het twintigtal andere stukken die hij sinds 1978 schreef.

Op nuances na. Deze keer draait het niet om een echtpaar met twee zoons (zoals bij voorbeeld in De nacht, de moeder van de dag), maar om een echtpaar met twee dochters. Echtgenoot en vader Henrik (Dries Wieme) is arts, moeder Margareta (Chris Lomme) werkte ooit in de bibliotheek en de beide al lang geleden uit het ouderlijk huis weggetrokken dochters leiden tegenovergestelde levens. Ann (Mieke de Groote), de jongste, is een artistiekerige, ongehuwde moeder met chronisch geldgebrek, Ewa (Rosemarie Bergmans) is kinderloos en deelt met haar man een jachtig, welgesteld zakenluisbestaan.

De toneeltijd zou kunnen samenvallen met de werkelijke tijd. Als het publiek binnenstroomt, beëindigt het gezelschapje op het podium net de maaltijd. Om half twaalf vertrekt het bezoek en eindigt het stuk. Tussen begin en eind is een status quo langzaam maar zeker opengebroken, ontaard in chaos en wederom langzaam maar zeker hersteld. Herfst en winter speelt zich af tussen twee gewapende vredes.

Ann is de motor achter een dramatische handeling die voornamelijk uit woorden bestaat. Achtendertig is ze nu, maar ze is opgetrokken uit wrok en pijn om haar jeugd. Steeds openlijker en luidruchtiger belijdt zij haar haat voor haar moeder, die is immers altijd jaloers geweest op de band tussen haar man en haar dochter. En wat Margaretha daar ook - verbijsterd, verbluft, honend, panisch ook - tegen inbrengt, Ann antwoordt altijd: “Precies! Dat is het 'm nu juist!”

Gék word je van Ann, ook als toeschouwer. Ze zeurt. Op haar leeftijd hoort de wrok van het kind jegens de ouders verzacht te zijn door onverschilligheid. Haar opwinding is op het ongeloofwaardige af: zó goed weten wat er vroeger aan gescheeld heeft en dat nu zó goed onder woorden weten te brengen maar er nog altijd niet boven staan - dat kan haast niet.

Norén irriteert mateloos, met zijn dik opgelegde, helemaal niet subtiele en verschrikkelijk voor de hand liggende Freudiaanse conflicten. Hij kliedert en kleddert met cliché's, en verklaart die op zijn gemak van toepassing op drie generaties. Henrik ging gebukt onder zijn moeder, Ann onder de hare en John, haar kind, is ook al verpest. En dat hele cyclische noodlot tuigt hij rustig op met aanverwante conflicten, van de kinderloosheid van Ewa tot de drankzucht van Henrik.

Norén irriteert, maar hij fascineert nog meer. Hij en zijn personages gaan tot op het bot - en dwingen het publiek hetzelfde te doen. Op de lange duur zal iedereen in zijn uitvergrote, hyperbolische toneelconflicten eigen ervaringen en twijfels herkennen. De manier waarop hij de vier gezinsleden in Herfst en winter elkaar psychisch laat aftuigen is schaamteloos - schaamteloos in de zin van eerlijk.

Regisseur en grote Norén-promotor Karst Woudstra heeft van dit voortreffelijke stuk een voortreffelijk enscenering afgeleverd. Het gaat om tekst en spel en de regie is daaraan dienstbaar. Woudstra heeft zijn acteurs gedwongen even eerlijk te zijn of te worden als hun karakters en dat lukt hen alle vier. Dries Wieme als de drankzuchtige sukkel van een vader is een markant slachtoffer van omstandigheden: Woudstra parkeert hem lange tijd achter het televisietoestel in het realistische decortje en dat beeld is onvergetelijk.

Rosemarie Bergmans als de iets onbelangrijkere Ewa is mooi ingehouden en Mieke de Groote als Ann is bewonderenswaardig explosief. Chris Lomme als de langzaam dronken wordende moeder is schitterend, zij maakt op haar eentje duidelijk hoe deze catastrofale avond op volstrekt vanzelfsprekende wijze in harmonie kan eindigen. Die harmonie is schijn en die houdt moeder met alle plezier op. En het merkwaardige is dat die optie after all niet de slechtste lijkt: uiteindelijk relativeert waarheidszoeker Norén zichzelf en zijn stuk. En juist daarom is Herfst en winter zo indrukwekkend.

    • Pieter Kottman