Twee nieuwe lange speelfilms; Filmer Paul Ruven toont gejaagde gedrevenheid

UTRECHT, 30 SEPT. Regisseur Paul Ruven, sinds enkele jaren het wonderkind van de Nederlandse cinema, presenteert tijdens de 12de Nederlandse Filmdagen weer twee nieuwe lange speelfilms. Ruven werkt snel, want hij heeft haast. In zijn films smijt hij met ideeën, met verschillende genres, vormen en stijlen. Het lijkt wel of de duvel hem op de hielen zit. Het nadeel van deze, aan de gretigheid van wijlen Rainer Werner Fassbinder herinnerende werkwijze, is dat de losse eindjes blijven uitsteken. Ruven is niet geïnteresseerd in schaven en polijsten, het moet er allemaal in een keer goed uit.

Na vorig jaar het Gouden Kalf gewonnen te hebben voor de korte eindexamenfilm De tranen van Maria Machita, grijpt hij nu, gezien de nominaties, waarschijnlijk naast de prijzen. In het geval van Ivanhood, gemaakt met en voor afstuderende leerlingen van de Maastrichtse toneelschool, is dat terecht. Ruven beoefent er weer een genre in, dat hij nog niet eerder beproefd had: de ridderfilm of tv-serie à la Ivanhoe of Floris. Handig maakt hij gebruik van de beperkingen die de opdracht met zich meebracht: geen budget of tijd om zwaardgevechten en stunts te paard uit te voeren, acteurs die meer ervaring met lange clausen hebben dan met film en een scenario dat min of meer gelijkwaardige rollen voor een man en tien vrouwen (toevallig de samenstelling van de eindexamenklas) moet bevatten. Dus wordt dolende ridder Christo van Waveren op een reis, die vooral grafisch op een kaart weergegeven wordt, voortdurend belaagd door hitsige jonkvrouwen. De grap zit vooral in het taalgebruik van de personages, een koddig bedoelde melange van moderne spreektaal en archaïsmen. De waardering voor dit Oud-Ruvensiaans ("Had u een kont, dan zou ik hem kussen") is een kwestie van smaak. Ik kon er geen moment om lachen en werd ernstig gehinderd door de houterige uitvoering van deze pastiche.

Net als Ivanhood werd Ruvens volgende film, The Best Thing in Life, in korte tijd in zwart-wit gedraaid, dit keer in het kader van de door Pim de la Parra gelanceerde traditie van "minimal movies'. Die keuze om kleur te vermijden ligt niet voor de hand, als de vormgeving, zoals de begintitels vermelden, "een beetje geïnspireerd' is door Piet Mondriaan en Edward Hopper. The Best Thing in Life is Ruvens meest persoonlijke film tot nu toe, een sombere "cri de coeur', gesitueerd in de laatste maand van onze eeuw. In de proloog zingt een nomade (Gerardjan Rijnders) vals maar schrijnend een aria, te midden van kale muren, koude stenen vloeren en algehele verloedering. Er klinkt in deze troosteloze, anonieme stad, waar Engels de voertaal is, regelmatig een pistoolschot, maar het tekort aan kogels verhindert dat de zelfmoordcurve nog verder stijgt. Een epidemie van een seksueel overdraagbare ziekte maakt vele slachtoffers, die zich vervolgens sieren met een witte Panamahoed. De hoofdpersoon (Roy Ward uit Sahara Sandwich) heeft waarschijnlijk nog tot Kerstmis te leven, terwijl hij zo graag nog een keer het vuurwerk van Oudjaar mee zou maken. Hij beleeft een gepassioneerde verhouding met een Albanese bootvluchteling (Ellen ten Damme, de ster van Maria Machita), in de wetenschap dat het bedrijven van de liefde ook haar dood zou betekenen. De stad stikt van de paria's, de hoeren en de daklozen, onder wie een zwangere man. In de sector "Joke City' wonen de overlevers, die zich wentelen in glamour en wansmaak. Daar worden flauwe moppen verteld en akelige liedjes gezongen, als in de televisiehel.

Ruvens film is niet alleen een woedend "memento mori', opgedragen aan AIDS-slachtoffers en al degenen die vertrapt worden door de dictatuur van de slechte smaak aan het eind van dit millennium. Het is bovenal een relatief strak vormgegeven vormexperiment, met rechte lijnen, tralies en een merkwaardige kadrering. Om het vierkante formaat van een 16mm-film open te breken, schuift Ruven steeds zwarte panelen in het beeld, waarop met krijt commentaar en tussentitels als in de zwijgende film geschreven zijn. Met bewonderenswaardige inventiviteit en oersimpele middelen wordt zo een "minimal movie' omgetoverd tot een formeel beheerst, bijna geacheveerd werkstuk. Het herinnert aan de boosheid van Fassbinder in films als In einem Jahr mit 13 Monden en Angst essen Seele auf en licht een tip van de sluier op van Ruvens mysterie, zijn gejaagde gedrevenheid. Ook Ruven wil pas slapen als hij dood is en heeft geen behoefte rustig te wachten op betere tijden, ruimere budgets en positieve boodschappen. Liever omringt hij zich met dilettanten en amateurs, die hem in dit geval inspireren tot een heel bijzondere en heel verontrustende film.

Leg die nu eens naast het korte werk van de voor de Grolsch-filmprijs genomineerde Cyrus Frisch, die het in Welcome ook over AIDS heeft en in de bewust schandaal zoekende korte film De kut van Maria zwelgt in graffiti-liederlijkheid en onsmakelijke taferelen. Frisch is een agent-provocateur zonder veel talent, die in de schaduw van Ruven denkt dat je de middelmatigheid van onze tijd te lijf kunt gaan door de burger te choqueren met seks, kots en toiletscènes. Elf jaar geleden noemde een bestuurslid van het Productiefonds Theo van Goghs Lüger "adolescentenpoep'; nu nomineert in opdracht van een nette bierbrouwer een eerbiedwaardige jury het heel wat kinderachtiger en gratuiter werk van Frisch, alsof het kunst was. Misschien is dat nog wel het mooiste voorbeeld van de tragiek van "Joke City'.