Solide Smith haalt Major over de hekel

BLACKPOOL, 30 SEPT. Vuur en passie, de ingrediënten waaraan het Britse Labour-congres in acht jaren Kinnock zo gewend was geraakt, ontbraken. Maar John Smith, de nieuwe leider van de Labour Party, bracht in zijn eerste grote rede een ander ingrediënt over: dat van Schotse soliditeit en onverzettelijkheid. In een solide toespraak van bijna een uur beschuldigt hij John Major ervan Groot-Brittannië vernederd te hebben in het oog van de wereld en stelde hij hem persoonlijk verantwoordelijk voor de economische malaise waarin het land verkeert.

Terwijl John Smith sprak kondigde de detailhandelgroep Sears (onder andere eigenaar van het warenhuis Selfrigdes) de sluiting van 350 schoenenwinkels aan, besloot het ministerie van defensie de Defence Research Agency te sluiten en liep het totaal aantal verloren banen voor 29 september alleen, op tot 4500 totaal. Volgens een nieuw rapport van het bureau Dun & Bradstreet gaan er op dit moment twaalfhonderd (kleine) bedrijven per week failliet. Het is die dagelijks weerkerende misère, die John Smith in de schoenen van John Major persoonlijk schoof, omdat Major eerst als minister van financiën en toen als premier verantwoordelijk voor een economisch beleid dat nu zo duidelijk faalt.

Smith herhaalde wat anderen vóór hem hadden gezegd: de Tories hebben de Britten misleid door voor de verkiezingen te beloven dat alles wat de economie nodig zou hebben om te herstellen uit twee jaar recessie, een Conservatieve overwinning was. De premier zou, zei Smith, zijn excuses moeten aanbieden aan het hele Britse volk voor de manier waarop hij zijn vertrouwen heeft beschaamd.

De Labour-leider wachtte zich er wel voor concreet iets te zeggen over het Verdrag van Maastricht zelf, maar vatte de vernedering waarop John Major Groot-Brittannië getrakteerd heeft, door zijn handelen in de Sterling-crisis, samen als dat van “de ik-doe-maar-niet-mee-premier die een wij-doen-maar-niets-regering van het Europese toneel af laat gaan”.

De Labour-leider zelf brengt onberispelijke geloofsbrieven mee ten aanzien van een Europese integratie. Hij was al voor een gemeenschappelijke markt van de Europese Twaalf toen zijn partij daaraan nog niet eens moest denken. Maar Smith verduidelijkte dat Labour weliswaar economisch en sociaal heil van een geïntegreerd Europa verwacht dat het eigen land niet kan bieden, maar waarschuwde ook dat ook Labour geen “superstaat” wil. Hij pleitte voor een democratischer Gemeenschap met een opener Raad van Ministers, beter toezicht op het werk van de Europese Commissie en meer inhoud voor het begrip subsidiariteit (beslissen zo dicht mogelijk aan de basis). Dat laatste argument slaat aan bij de wens van John Major zelf.

In het licht van de “klucht” die John Major en zijn minister van financiën Norman Lamont (“de Laurel & Hardy van de Britse politiek) gemaakt hebben van het economisch beleid, kreeg Smith alle kans het verwijt te verwerpen dat Labours wensenlijstje in de aanloop tot de verkiezingen te kostbaar was. Met een regering die één miljard pond op één dag uitgeeft om het pond Sterling op koers te houden, om het daarna alsnog te laten kelderen, was het voor Smith gemakkelijk om zich hardop af te vragen hoeveel huizen, scholen en ziekenhuizen er voor dat bedrag gebouwd hadden kunnen worden.

Maar meer dan dit alles slaagde de Schot erin de indruk te wekken dat de leider die het land zo hard nodig heeft in deze stuurloze periode op de oppositiebank zit. Bewogen, maar ook schrander en in staat om John Major het leven wellevend, maar trefzeker uiterst moeilijk te maken.