Op de koop toe

“Steeds minder mensen zijn nog in staat om poëzie te lezen”, aldus Jan Kostwinder in het tijdschrift De Zingende Zaag. “Daarom moet de poëzie weer doorzichtig en eenvoudig tot op het simpele af worden.”

Het is de zoveelste keer dat ik lees dat poëzie iets moet. Iets weer moet.

Nu, meneer Kostwinder, de poëzie moet niets, en vooral niet weer iets. Als ze iets moet is ze een dwingeland, als ze iets weer moet valt ze onder de reclassering. Maar poëzie verplicht tot niets en heeft geen verplichtingen. Poëzie is geen kruiwagen en geen dienstbode van pamflettisten. De dichter gaat waar de poëzie gaat. De poëzie bepaalt de temperatuur van het literaire klimaat, en niet omgekeerd.

Ik neem aan dat Jan Kostwinder bedoelt dat de dichters iets moeten, bij voorbeeld zorgen dat het publiek in staat is hun poëzie te lezen. Maar ook dat lijkt me een oproep die erop neerkomt dat men van de God van de Winden verlangt dat hij waait.

Waarom schrijft een schrijver anders dan om gelezen te worden?

Het zou eerlijker zijn geweest wanneer Jan Kostwinder had gezegd: “Steeds minder mensen zijn nog in staat om poëzie te lezen. Daarom moeten de mensen hun hersens weer eens wat harder laten werken en minder gemakzuchtig tot op het geraffineerde af worden.”

Of hij had ronduit moeten zeggen dat hij in De Zingende Zaag huis-, tuin- en keukenversjes gepubliceerd wil zien voor huis-, tuin- en keukenmensjes.

De kunst is iets waar de mens naar reikt en de mens die eenvoudig wil blijven, tot op het simpele af, is gedoemd kunstloos in het slijk te krioelen. Men mag van de dichter niet vragen dat hij een knieval doet voor de simpelen van geest. Men mag de simpelen van geest ook niet beklagen omdat ze niet in staat zijn poëzie te lezen: misschien zijn ze wel benijdenswaardig.

Dit gezegd hebbende, moet me van het hart dat de discussie over de bereikbaarheid van poëzie me een gebed zonder end voorkomt. Spreken over kunst in termen van moeten, knieval en leesbaarheid, het is een Hollandse ziekte. Het is of iemand in gemoede kan menen dat schrijvers die niemand in staat is te begrijpen bestaansrecht hebben - dat sommige schrijvers er zelf op uit zijn om niet gelezen te worden.

Poëzie moet niet leesbaar zijn, goeie poëzie is leesbaar. Dat hoort geen punt van discussie te zijn. Onleesbare en ongelezen gedichten bestaan niet, en we kunnen aan iets dat niet bestaat geen lessen en richtingwijzers ontlenen.

Dat Jan Kostwinder dat wél doet, het kan alleen in een literair klimaat waar leesbaarheid node wordt geaccepteerd. Als een knieval die om de zoveel tijd nu eenmaal weer eens moet.

“De tedere tirannie is een gewaagde, gevarieerde en op de koop toe ook nog een bijzonder leesbare roman.” Dat is een zin van T. van Deel uit Trouw die voorkomt in een advertentie van uitgeverij Contact. Uitgevers jokken wel eens in advertenties, maar ik ga er van uit dat het citaat juist is. En, bovendien, een zin die in een advertentie als aanbeveling geldt is typerender voor het heersend klimaat dan alles wat T. van Deel verder nog geschreven kan hebben.

Op de koop toe!

Of leesbaar eigenlijk betekent dat het niet gewaagd en gevarieerd zou kunnen zijn. Of leesbaarheid eigenlijk een verkapte vorm van gemak- en behaagzucht is. Of elk gewaagd en gevarieerd boek eigenlijk onleesbaar behoort te zijn om voor volledig geslaagd te kunnen doorgaan.

Dat is het hele malheur van onze letterkunde: leesbaarheid wordt als iets verdachts gezien, of in het gunstigste geval als bonus op de koop toe genomen, maar ze is geen basisvoorwaarde, geen vanzelfsprekendheid. Eeuwig en altijd moet de leesbaarheid door nieuwe naïeve Kostwinders worden verdedigd of wordt ze neerbuigend en oogluikend toegestaan, als een zondige korrel zout in de heilige rijstebrij van de schriftgeleerden. Arme letterkunde.