Moskouse violist Bashmet met ensemble virtuoos; Muzikale ontdekkingsreis

Concert: Moscow Soloists o.l.v. Yuri Bashmet, altviool. Programma: G. Telemann: Altvioolconcert in G; F. Schubert: Der Tod und das Mädchen in bewerking voor strijkorkest van G. Mahler; B. Britten: Lachrymae voor altviool en strijkorkest, Dvoraks Serenade in E opus 22. Gehoord: 27/9 Concertgebouw, Amsterdam.

Toen Yuri Bashmet twee jaar geleden met de Moscow Soloists in het Amsterdamse Concertgebouw optrad, bestond zijn fenomenale ensemble uit strijkers van middelbare leeftijd die zo uit de boeken van Dostojevski weggelopen leken te zijn. Inmiddels hebben deze markante figuren zich zonder hun leider gevestigd in Montpellier. Bashmet zelf bleef in Moskou, waar hij onlangs een nieuw kamerorkest oprichtte met dezelfde naam, bestaande uit heel jonge musici. Het wonderlijke is dat deze nieuwe Moscow Soloists bijna hetzelfde zijn blijven klinken: broos en teder maar toch warm en fluwelig op lyrische momenten, ongelooflijk exact en krachtig in bravura-passages, en in alle dynamische schakeringen even sonoor en transparant.

In plaats van de beloofde werken van Bach, Schönberg en Hindemith, verkoos Bashmet gisteravond het Altvioolconcert van Telemann en Schuberts strijkkwartet Der Tod und das Mädchen in Mahlers delicate bewerking voor strijkorkest uit te voeren. Alle altviolisten spelen het Altvioolconcert van Telemann, en de componist zelf had maar weinig op met zijn soloconcerten (“geen enkele kwam uit het hart”, bekende Telemann in een van zijn drie autobiografieën). Maar wanneer Bashmet dit routineus vervaardigde en van lieverlede een beetje afgezaagde Altvioolconcert vertolkt, verandert het in een pre-romantische muzikale ontdekkingsreis. Zo klonk dit barokconcert even expressief als het aangrijpende, expressionistisch gecomponeerde Lachrymae voor altviool en strijkorkest van Britten.

Bashmet bezit niet alleen een briljante techniek en een glanzende, alle kleuren van de regenboog bestrijkende toon, hij heeft ook de gave feilloos de structuur van een compositie te doorgronden. Dat analytische vermogen geeft hem de vrijheid te spelen met klankkleuren, fraseringen en spanningsbogen. Bovendien is Bashmet een meester in de timing van crescendo's en decrescendo's. Hij goochelt even soepel met de dynamiek als een dichter met woorden, en zijn rubato ademt op een volstrekt natuurlijke wijze mee met de partituur. Die kwaliteiten sieren zowel de altviolist als de dirigent. Vandaar dat ook Schuberts Der Tod und das Mädchen en Dvoraks Serenade in E met sublieme verbeeldingskracht en een doorgaans goed uitgebalanceerde souplesse werden vertolkt, al parfumeerde Bashmet beide werken misschien net iets te vaak met pianissimo's met de broosheid van een eierschaal.