Ministelsel maakt voorlopig geen kans

DEN HAAG, 30 SEPT. Hij wil het ministelsel niet “definitief omhelzen” en evenmin “definitief begraven”. Maar toch kiest VNO-voorzitter dr A.H.G. Rinnooy Kan op dit moment niet voor een basisverzekering in de sociale zekerheid die elke Nederlander, werkloos of arbeidsongeschikt, niet meer dan een uitkering op minimumniveau zou garanderen. De collectieve premies zouden navenant omlaag kunnen. Maar de tijd is niet rijp voor zo'n stelsel, denkt de voorman van de werkgevers. Zijn collega van het NCW, J.C. Blankert, valt hem bij. Maar ook hij voegt eraan toe: “Het onderwerp is daarmee niet van de agenda”.

Wanneer de basisverzekering er dan wel zou kunnen komen? De beide voorzitters hoeden zich er voor concreet te worden. “Op de middellange termijn”, denkt Rinnooy Kan, is een verdere aanscherping van het stelsel van werknemersverzekeringen noodzakelijk. Maar voorlopig brachten de twee grote werkgeversorganisaties gisteren een gezamenlijk rapport over de sociale zekerheid uit, waarin het ministelsel “geen reële optie” wordt genoemd.

Dat laat volgens de werkgevers onverlet dat er maatregelen nodig zijn tegen de “ernstige Nederlandse excentriciteit”, zoals Rinnooy Kan het formuleert: in vergelijking met andere Europese landen hoge uitkeringen, een ruime kring van verzekerden en milde normen. Maar vooralsnog kiezen de werkgevers voor handhaving van het bestaande systeem van werknemersverzekeringen, dat dan wel moet worden aangepast. “Zoals een goed en rechtvaardig stelsel van sociale zekerheid een kenmerk van beschaving is, is een uitpuilend en overvol systeem een teken van achteruitgang en verval”, zegt de voorzitter van het VNO.

Staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) heeft met instemming genoteerd dat VNO en NCW geen mini-stelsel willen. Zij verwijst naar de recente nota Sociale zekerheid 1993 die zij onlangs samen met minister De Vries heeft uitgebracht, waarin de nadelen van een ministelsel staan opgesomd. “Het leidt alleen maar tot een verschuiving van de kosten. Dat werkgevers dat nu ook inzien is verheugend”, zei Ter Veld vanochtend.

Wie is er nu nog wel voor een ministelsel? Het CDA niet, althans als het rapport-Kolnaar dat in die partij een rondgang langs de afdelingen maakt, intact blijft. De PvdA niet, sinds zij het rapport van de Commissie-Wolfson heeft aanvaard. D66 is tegen een ministelsel. De vakbeweging staat zeker niet te wachten op een verlaging van wettelijke uitkeringen en de grote werkgeversorganisaties zijn er dus ook niet voor. “Het ministelsel kan naar de minicontainer; het is immers een afbraakprodukt”, concludeert de vakcentrale CNV.

De VVD is wel voor een ministelsel en die partij lijkt daarmee in een geïsoleerde positie te komen. Zo somber ziet het Tweede-Kamerlid R. Linschoten het niet. Hij vindt het “natuurlijk jammer” dat werkgevers nu de stap naar een basisverzekering niet willen zetten. Maar dat is een kwestie van tijd, schat hij. Zo goed als ook in bijvoorbeeld de PvdA de discussie hierover levend wordt gehouden door “opinionleaders”.

VNO en NCW zetten niet alleen het ministelsel op sterk water omdat er geen politieke meerderheid voor te porren is, maar ook omdat ze zelf praktische bezwaren bevroeden. Wanneer de wettelijke uitkeringen omlaag gaan zal dit de CAO-onderhandelingen verzwaren, omdat vakbonden aanvullende regelingen zullen eisen. Wat door VNO en NCW als een van de risico's wordt beschouwd van de basisverzekering, is volgens Linschoten juist het voordeel ervan: “Dan worden die onderhandelingen daar gevoerd waar dat hoort te gebeuren”.

Bij de vakbonden was dus gisteren enige tevredenheid te bespeuren over de werkgeversnota. FNV-bestuurder H. Muller is heel wat minder te spreken is over de suggestie van VNO en NCW om bepaalde risico's, zoals sportblessures, uit de WAO te halen. “Waar is dan het begin en waar het eind”, vraagt Muller zich af. De christelijke vakcentrale CNV noemde elk onderscheid tussen beroepsrisico's en privé-risico's “onaanvaardbaar”.

Maar standpunten over de sociale zekerheid zijn voortdurend in beweging. Opmerkelijk in de nota van VNO en NCW is dat zij nu wel kiezen voor geheel onafhankelijk toezicht op de uitvoeringsorganen. Tot voor kort meenden zij dat werkgevers- en werknemersorganisaties bij deze taak niet konden worden gemist. Volgens Rinnooy Kan zijn de werkgevers "om', omdat ze bij het toezicht “elke ondoorzichtigheid of onzorgvuldigheid” willen vermijden. Het front van tegenstanders van onafhankelijk toezicht vertoonde al eerder barsten. Werkgeversorganisatie KNOV (midden- en kleinbedrijf) was inmiddels al voorstander, vakcentrale CNV ook. De FNV is verdeeld. Voorzitter J. Stekelenburg heeft er problemen mee de sociale partners van de toezichtstaak uit te sluiten. Maar bestuurslid H. Peperkamp van de Industriebond FNV, tevens voorzitter van uitvoeringsorgaan GAK, is daar wel voor. Hij heeft gesuggereerd de Algemene Rekenkamer te belasten met het toezicht.

Rinnooy Kan noemt de Verzekeringskamer als variant daarop. “Als het maar echt onafhankelijk toezicht wordt”, voegt NCW-voorzitter Blankert daaraan toe, “en niet een vorm van een college van vijf deskundigen dat onder supervisie van de minister van sociale zaken staat.” Dat mag als een boodschap aan staatssecretaris Ter Veld worden beschouwd. In haar toekomstige Organisatiewet voor de sociale zekerheid wil zij het voorstel opnemen een college van vijf deskundigen in te stellen, die door de Kroon moeten worden benoemd en aan minister en parlement moeten rapporteren.

Nu in het parlement ook het CDA geen tegenstander meer is van onafhankelijk toezicht, lijkt die race gelopen. Gelet op het nieuwe standpunt van VNO en NCW zal de discussie eerder gaan over de vraag: wat is eigenlijk onafhankelijk? Volgens Ter Veld zal zij zich, wanneer zo'n college bestaat, niet met het toezicht bemoeien. Maar wel houdt de minister een aanwijzingsbevoegdheid. “Zoals de minister van financiën die uiteindelijk ook heeft ten opzichte van de president van De Nederlandsche Bank”, zegt Ter Veld. Een "ultimum remedium' dus, waarvan in de praktijk geen gebruik wordt gemaakt.

    • John Kroon