Landelijke Cubaanse klanken van Grupo Changuï; Dansmuziek uit de provincie

Concert: Grupo Changüi uit Cuba o.l.v. Antonio Cisneros met José Rodriguez (leadzang). Gehoord: 27/9 RASA, Utrecht. Verder te horen: 30/9 Soeterijn, Amsterdam, 2/10 Korzo, Den Haag

Op elke snelle ontwikkeling volgt vroeg of laat een romantisch verlangen naar de tijd van vroeger. Het zesgranenbrood is een reactie op dat weke fabrieksspul dat maar nooit oud wilde worden (waar is Japie van de King Corn gebleven?), de stoomtrein boeit weer dank zij de TGV en de jukebox is weer in produktie sinds de komst van de cd. In de kunst is het niet anders; de moderne kunstmuziek roept als reactie belangstelling voor de middeleeuwse op, de komst van de elektro-jazz leidde tot een zoektocht naar de "eerlijke bebop', en in de rockscene vinden sufgebeukte "heavy metal'- freaks troost bij Buddy Holly en de Blue Diamonds.

Terugblikken moet ook het motief zijn geweest om Grupo Changüi naar Nederland te halen. De Cubaanse muziek heeft de laatste twintig jaar zo overtuigend zijn technisch kunnen getoond (Irakere, Los VanVan, Paquito d'Rivera, Arturo Sandoval, Gonzalo Rubalcaba, Mario Bauza) dat een nostalgische reactie bijna onvermijdelijk was. Dat Cuba, dat was toch, afgezien van Fidel Castro, het eiland van die sigaren en die eerlijke rietsuiker?

Bij de met stro- en andere hoeden getooide leden van Grupo Changüi kan men het zich alle

maal voorstellen: de brandende zon, de goedkope inheemse rum, het zaterdagavondje na een uitputtende week suikerriet kappen. Dat de dansstijl "son' in de hoofdstad Havana allang wordt gespeeld met een piano of synthesizer, een moderne bas en waarschijnlijk ook nog blazers erbij, daar hebben de uit de provincie Oriente afkomstige musici weinig mee te maken. Ze hebben die natuurlijk wel gehoord, Cuba is niet zo groot en radio Havana zendt al sinds 1922 uit, maar ze hebben er geen voeling mee. Veel liever spelen ze hun eigen stijl, landelijk, niet te luid, ritmisch en toch beschaafd. De maracas en de guayo (een 'schraper' net als de guiro) zetten de lichte maar dwingende ritmiek, de bongospeler zorgt voor accenten, de gitaarachtige tres zorgt voor de harmonische ostinati. Pas als de microfoon verder open is gedraaid, horen we ook het vijfde instrument: de marimbula, de basversie van de Afrikaanse mbira, metalen strips aan een rail, verbonden met een klankkast. Het speciale van dit instrument, formaat 'Neder-rock' theekistbas anno 1955, is dat men er op kan zitten, geen gering voordeel als men bedenkt dat José Olivares, de bespeler ervan, al 73 is. Voorzanger Rodriguez heeft een prettig geluid, de vaak tweestemmige antwoordzang is lang niet slecht. En na drie stukken begint men dan toch maar te dansen, zoals dat gebeurt tijdens bruiloften op het platteland. Voor de neefjes en nichtjes uit de stad is de muziek wel wat ouderwets, maar wat kan het schelen. Die ome José trouwt maar één keer en die keiharde salsa cd kunnen ze thuis wel weer draaien.

    • Frans van Leeuwen