Democratie aan de dijk (1)

Rijkswaterstaat mocht op het laatste moment niet komen, vorige week in theater De Agnietenhof in Tiel. Eindelijk zou in het rivierenland weer eens open gedebatteerd worden over de dijkverzwaring: de mannen van de praktijk, politici en de mensen die waarschuwen dat het land van Maas en Waal en IJssel verloren gaat. Maar het mocht geen discussie worden. Verboden door Den Haag.

Minister Maij heeft het bekwaam gedaan. Als politieke brandwacht. Door eind juli opeens een nieuw onderzoek naar de versterking van de rivierdijken te bestellen, kreeg zij het initiatief weer in handen. De kans is groot dat de regering bij de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer volgende week niet wordt lastiggevallen over het rechttrekken van zeshonderd van de mooiste kilometers Nederland.

De dijkverzwaring is eind juli tijdelijk op sterk water gezet door de aankondiging van een studieopdracht aan het Waterloopkundig Laboratorium en de Nederlandse vestiging van de Rand Corporation. Iedereen laat zich sindsdien betoveren door de bezigheid van een commissie-Boertien die beide instituten stuurt. De Tweede Kamer, waar de twijfel groeide over het jaren gevoerde beleid, is overgegaan tot de orde van de dag. Burgers, die eerder dit jaar met afschuw kennis namen van de meedogenloze dijkwerken, denken dat alles gered is. Maar niets is minder waar.

De commissie en de wetenschappelijke instituten moeten het hele project "toetsen aan hedendaagse inzichten' en vóór 15 december van dit jaar tot conclusies komen. Uitgangspunt van de minister is dat “de voortgang van de rivierdijkversterkingen niet door het onderzoek mag worden vertraagd”. Het gaat er alleen om dat het "draagvlak' voor het project wordt verbreed. In gewoon Nederlands: dat het gezeur ophoudt.

Volgens goed gebruik wordt van burger en volksvertegenwoordiger gevraagd het denken te staken zolang er gestudeerd wordt, om vervolgens vol ontzag de resultaten te accepteren. Misschien hoort het bij deze fase van de democratie dat zowel de Kamer als de rest van het land zich eens onttrekt aan de bedwelmende werking van commissies die zijn ingesteld door bewindslieden in het nauw.

Om maar iets te noemen: de discussie over de betekenis van het rivierenland is nog maar nauwelijks op gang gekomen. Ja, met een beetje gevoel voor landschap en schoonheid in het algemeen zullen velen van een tochtje door het getroffen gebied terugkeren met een gevoel van verbijstering. Het verschil tussen "vóór' en "na de behandeling' is niet te geloven.

Technici en een ruime meerderheid in de Tweede Kamer hebben tot nog toe betrekkelijk blanco kennis van genomen van dat soort emoties. Het definiëren van waar het om gaat wordt bovendien verward door het feit dat de natuur- en milieulobby's in dit land redelijk ontwikkeld zijn, terwijl het met de verdediging van het wijdere begrip "cultuur' zorgelijker is gesteld. Wie denkt aan Culturele Stichtingen of Monumentenzorg komt in het rivierengebied niet aan zijn trekken.

Het gaat ook om meer. Met enige dramatiek kan men letterlijk zeggen: Het Land Zelve is in gevaar. Niet door hoog water eens in de zoveel honderd of duizend jaar, maar door planmatige bedekking met beton, door eenzijdig technocratisch gemotiveerde systematisering. Nederland bedreigt de eigen geschiedenis, de eigen identiteit, zichzelf. Daar hoort maar één lobby tegen te zijn: de Tweede Kamer.

Er zijn meer redenen om de commissie-stilte niet al te vroom in acht te nemen. De samenstelling van de commissie is een persoonlijke keuze van de minister waarover zij geen verantwoording heeft afgelegd. Dat is uit praktische overwegingen wel begrijpelijk, maar het is een rare traditie dat aan de uitkomsten van zo'n commissie een soort objectiviteitswaarde wordt toegekend.

De partijen die in de Kamer het meeste interesse voor de "andere kant' van de dijkverzwaring hebben opgebracht (D66 en Groen Links) zijn niet vertegenwoordigd in de commissie. Desondanks hoeft de commissie zich de vrijheid van oordeel niet te ontzeggen. Dr. C. Boertien, oud-commissaris der koningin in Zeeland, mevrouw dr. H.M. de Boois, voorzitter van het Zuiveringschap Amstel- en Gooiland, drs. E.H.T.M. Nijpels, burgemeester van Breda en prof.ir. M.J. Vroom, hoogleraar landschapsarchitectuur in Wageningen verdienen allen het voordeel van de twijfel.

Het geeft geen pas te treden in persoonlijke vriendschapsbanden of vermoedelijke opvattingen van de commissieleden. Wat wel opvalt is dat twee commissieleden eerder in hun loopbaan te maken hebben gehad met grote dijkwerken: als commissaris in de "Dit-nooit-meer-provincie' Zeeland, respectievelijk als minister van VROM, die volgens oud-collega mevrouw Kroes (24 september op deze pagina) mee bepaalde dat dijkverzwaringsprojecten onder de vijf kilometer buiten de overigens verplichte Milieu Effect Rapportage (MER) zouden vallen. En wat betreft de landschapsarchitectuur: er is een opvatting die luidt dat in het rivierengebied, dat eeuwenlang op gods gezag schilders, dichters en gewone mensen heeft ontroerd, zo min mogelijk architectuur gewenst is.

Nu ja, het onderzoek is ingesteld. Dat is winst. Het onderzoeksvoorstel van het coördinerende Waterloopkundig Laboratorium is breed en ambitieus van opzet. De oorzaken van extreem hoog water, de veiligheidsnormen, de gebruikte ontwerpmethoden en mogelijke verbeteringen èn de gevolgde inspraak-procedures worden onder de loep genomen. Te veel om in drie jachtige maanden te kunnen afronden. Misschien dat de minister zonder al te veel gezichtsverlies de eventueel noodzakelijke extra tijd zal toestaan.

De opdracht tot het hele onderzoek heeft sowieso komische kanten. Een paar maanden geleden nog zei de minister dat ze geen behoefte had aan een onderzoek, en er ook geen geld voor. Nu is zij al snel twee miljoen kwijt. De zogenaamde ijsdam-theorie van vrijwilliger-deskundige ir. J. Bervaes (vroegere dijkdoorbraken kwamen niet zozeer van zwakke dijken maar van ijs dat niet wegkon), was nooit een onderzoek waard, maar wordt nu wel bekeken.

En de milieu-effect-rapportage? Eén landelijke MER was niet nodig omdat de verzwaring van de dijken plaatselijke karweien waren. Polder- en waterschappen pakten hun projecten aan in hapjes van 4,7 kilometer en ontliepen zo ook de MER-plicht. In het bericht van het ministerie, waarin het onderzoek werd aangekondigd, was sprake van “de rivierdijkversterkingen als landelijk geheel”. Dat is dus vastgesteld.