Wel hardere aanpak WAO; Werkgevers zien niets in ministelsel

DEN HAAG, 29 SEPT. De werkgeversorganisaties VNO en NCW zijn op dit moment tegen een ministelsel in de sociale zekerheid.

Zij vinden één basisverzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid geen reële optie. Wel menen de werkgevers dat de arbeidsongeschiktheid via de WAO scherper moet worden aangepakt.

Dit blijkt uit een nota over de werknemersverzekeringen die VNO en NCW vanochtend gezamenlijk hebben gepresenteerd. Zij achten het wel waarschijnlijk dat de vraag of de basisverzekering moet worden ingevoerd, later in de jaren negentig opnieuw aan de orde zal zijn. Kern van een ministelsel of basisverzekering is dat de overheid werknemers die door ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid worden getroffen een uitkering op het sociaal minimum garandeert. Wie meer wil hebben, moet zich particulier of collectief bijverzekeren.

De werkgeversorganisaties kiezen voor handhaving van het huidige stelsel van werknemersverzekeringen (WW, WAO en Ziektewet) en ook voor de uitvoering daarvan via bedrijfsverenigingen. Zij constateren dat nu geen politieke meerderheid bestaat voor radicale vernieuwingen van het sociale zekerheidsstelsel, maar sommen in hun nota ook eigen bezwaren tegen een basisverzekering op.

Wanneer het werkloosheidsrisico daarin wordt ondergebracht, leidt dat juist tot “een ongewenste uitbreiding” van de rechten van werklozen. Zij krijgen doordat arbeidsongeschiktheid en werkloosheid dan door één verzekering worden gedekt in principe recht tot hun 65ste op een WW-uitkering die niet lager mag zijn dan volgens de internationale normen geldt voor een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Nu vallen werklozen naar verloop van tijd terug op het sociale minimum van een bijstandsuitkering. Verder stellen VNO en NCW vast dat particuliere verzekeraars het risico van werkloosheid niet willen verzekeren en dat dit in de toekomst niet anders zal zijn.

Een ander bezwaar tegen de basisverzekering is volgens de werkgevers dat bij wettelijke uitkeringen op het minimumniveau de druk op de CAO-onderhandelingen zal worden vergroot om tot aanvullende uitkeringen te komen.

Pag 3: Werkgevers blijven bij handhaving WAO-plan

Ook vrezen VNO en NCW voor het ontstaan van een "sociale-verzekeringsbreuk' wanneer iemand die van werkkring wil veranderen wordt geconfronteerd met slechtere aanvullende regelingen bij een ander bedrijf. Dit belemmert de arbeidsmobiliteit.

De twee werkgeversorganisaties staan wel wijzigingen in het systeem van de sociale zekerheid voor. Ze willen af van de op 1 maart ingevoerde boetes voor bedrijven waarvan een werknemer arbeidsongeschikt is geraakt.

Deze regeling werkt in de praktijk volgens de werkgevers onrechtvaardig. Bedrijven worden geconfronteerd met arbeidsongeschiktheid die bijvoorbeeld is veroorzaakt door een verkeersongeluk en moeten daar dan toch maximaal een jaarsalaris als boete voor betalen.

In plaats hiervan willen VNO en NCW dat premiedifferentiatie voor de WAO wordt ingevoerd. Dit betekent dat de WAO-premie, die nu geheel door de werknemer wordt betaald, voor een deel voor rekening van de werkgever moet komen, met de mogelijkheid van een eigen risico en dus hogere of lagere premies. Daarentegen wijzen de werkgevers de premiedifferentiatie voor de Ziektewet, die 1 januari ingaat, af. De maatregel dat werkgevers de eerste drie of zes weken de ziektekosten voor eigen rekening moeten nemen is een afdoende prikkel, aldus VNO en NCW, om het ziekteverzuim te bestrijden.

De werkgeversorganisaties wijzen een wettelijke splitsing tussen beroepsrisico en niet-beroepsgebonden risico's en dus afzonderlijke regelingen voor invaliditeit, af. Wel vinden zij dat bepaalde activiteiten in de privésfeer, zoals het beoefenen van sport, niet via de WAO moeten worden verzekerd.

De organisaties vinden dat de Tweede Kamer het kabinetsvoorstel voor de WAO onverkort moet aanvaarden, inclusief de bevriezing van de uitkering voor huidige WAO'ers. Verder willen ze een aanscherping van het beleid door de uitkering geheel afhankelijk te maken van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt of door, zoals in de WW, de duur van de uitkering meer afhankelijk van de leeftijd te maken.

VNO en NCW vinden dat de bevoegdheden van bedrijfsverenigingen - die worden bestuurd door werkgevers en werknemers - moeten worden uitgebreid. Het vaststellen van de WAO- en WW-premies moet aan de bedrijfsverenigingen worden overgelaten, zodat de overheid er geen inkomenspolitiek mee kan bedrijven. De twee werkgeversorganisaties hebben hun bezwaren tegen het onafhankelijk maken van het toezicht op uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid laten varen. Nu gebeurt dat nog via de Toezichtkamer van de Sociale Verzekeringsraad, waarin werkgevers en werknemers zijn vertegenwoordigd. Het toezicht moet van VNO en NCW dan wel “werkelijk onafhankelijk” zijn en geen college van deskundigen dat onder de supervisie van de minister van sociale zaken staat.

De vakcentrale FNV wil nog niet in houdelijk reageren op de plannen van VNO en NCW. Zij komt binnenkort met een standpunt over het toezicht op de sociale verzekeringen. “Maar,” zei FNV-bestuurder Muller vanmiddag, “we hebben ingestemd met een meer onafhankelijke positie van de Toezichtkamer. Daarmee is al een stap gezet.” De FNV-bestuurder onderstreept dat het niet gaat om het manipuleren van het toezicht, maar “hoe houd je een zo groot mogelijke betrokkenheid en coördinatie”.