Weer een ongeïnspireerde nota buitenlands cultuurbeleid

Gisteren hebben de Tweede-Kamercommissies voor Buitenlandse Zaken, Cultuur en Onderwijs, zich in een gezamenlijke vergadering bezighouden met ons buitenlands cultuurbeleid. Dat is gebeurd aan de hand van een nota die de regering in februari aan de Kamer zond. Wie denkt dat er als gevolg van de recente ontwikkelingen in de EG en van de omwenteling die zich de laatste jaren in Midden- en Oost-Europa voltrekt nieuwe gezichtspunten worden geboden, komt bedrogen uit. De nota, al even weinig geïnspireerd als haar voorgangers (drie in tien jaar), biedt slechts verschaalde wijn in versleten zakken.

Zo kunnen alle ambtelijke vaagheden waarmee de nota is volgestopt ook dit keer niet verhullen dat wij nog steeds geen buitenlands cultuurbeleid hebben dat die naam verdient. Minimale vereisten voor een beleid zijn: een samenhangende visie en daarop gebaseerde prioriteiten. Om het het in gewoon Nederlands te zeggen: wat doen we waar en waarom? Wij hebben op zijn best drie aparte, niet op elkaar afgestemde "beleidjes'. Uitgangspunt voor alle betrokkenen zou moeten zijn dat buitenlands cultuurbeleid onderdeel is van het buitenlands beleid in zijn geheel en dat de centrale regie dan ook zou moeten uitgaan van het ministerie van buitenlandse zaken. Zo is het overal elders, maar bij ons heeft buitenlandse zaken zich in de loop der jaren steeds meer bevoegdheden laten ontfutselen door de twee andere ministeries die zich met buitenlandse culturele betrekkingen bezighouden, de zogeheten vakministeries, te weten WVC en onderwijs en wetenschappen. Dit is ook gebeurd op andere terreinen, zoals buitenlandse economische betrekkingen en ontwikkelingssamenwerking. WVC beschouwt buitenlands cultureel beleid als een voortzetting, buiten onze grenzen, van het eigen binnenlandse kunsten- en welzijnsbeleid.

En onderwijs en wetenschappen is, vooral onder Ritzen, gebiologeerd door de internationalisering van het onderwijs in EG-verband, wat in verschillende gevallen dreigt uit te lopen op de aantasting van de identiteit van ons onderwijsbestel. De conclusie moet dan ook zijn dat het nooit tot een samenhangend buitenlands cultuurbeleid kan komen zolang er van BZ geen krachtige centrale leiding uitgaat. Om diezelfde reden kan het ook nooit iets worden met het in de nota als mogelijkheid genoemde centrale semi-onafhankelijke instituut dat onze buitenlandse culturele betrekkingen zou moeten behartigen. Als niet eerst de huidige versnippering van het beleid wordt opgeheven, plant je die alleen maar over van de departementen naar dat instituut.

Dat gebrek aan centrale leiding is er ook de oorzaak van dat er in het Verdrag van Maastricht een regeling voor culturele samenwerking in de EG is opgenomen die bedreigend is voor onze culturele autonomie en culturele identiteit. De EG-organen krijgen door die zogeheten culturele paragraaf formeel toegang tot belangrijke sectoren van ons nationale culturele bestel. Als de uitslagen van de referenda in Denemarken en Frankrijk en de Britse ongerustheid over de EG ons iets leren, dan is het toch wel dat grote delen van de bevolking gewoon bang zijn hun nationale, en daarbij hun culturele, identiteit aan Brussel te moeten afstaan. Onze regering zou er dan ook goed aan doen het inititatief te nemen om het Verdrag van Maastricht aan te passen teneinde die volstrekt niet denkbeeldige vrees weg te nemen. Het hardnekkig vasthouden aan Maastricht kan er overigens ook toe leiden dat we straks in een mini-EG terecht komen, waar alleen Duitsland en Frankrijk de dienst uitmaken. Dat zou ons wel heel ver verwijderen van de Europese evenwichtspolitiek die wij al eeuwenlang voeren. De nota huppelt over al deze problemen lichtvoetig heen.

Het ontbreken van een beleidsvisie komt op allerlei tereinen pijnlijk naar voren. Een paar voorbeelden. De regering heeft de mond vol van samenwerking met Vlaanderen, op grond van onze verbondenheid in taal en cultuur. Maar wat is de praktijk? Juist de afgelopen week heeft men de belangrijkste instrument voor die samenwerking, de Nederlandse Taalunie, ontmanteld. De algemeen secretaris is op staande voet ontslagen, en de beleidsvoorbereiding wordt in handen gelegd van de ambtenaren van de vier departementen van cultuur en van onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Wat daarvan terecht komt kan men op zijn vingers uitrekenen.

Ander zwaktebod: Midden- en Oost-Europa krijgen hogere prioriteit. Het mocht wat. Alleen onderwijs en wetenschappen levert een extra inspanning; die van buitenlandse zaken en WVC zetten geen zoden aan de dijk.

Er valt nog veel meer op de nota aan te merken, maar daarvoor is hier geen ruimte. Maar wat niet onvermeld mag blijven is de chronische pijn in dit beleidsvlak: het permanent tekort aan middelen. Als men kijkt naar de armzalige som die regering en parlement jaar in en uit voor buitenlands cultureel beleid ter beschikking stellen, krijgt de slotzin van de nota onbedoeld een lachwekkende betekenis: “Daarbij blijft steeds het uitgangspunt dat de resultaten van de internationale culturele samenwerking gezichtsbepalend voor Nederland moeten zijn en blijven”.