"We zijn een beetje de kluts kwijt'; Angola: wennen aan vrede

LUANDA, 29 SEPT. De stank van urine hangt in de straten van Luanda en dringt woonhuizen en kantoren binnen. Hopen afval vullen de pleintjes en de gaten in de wegen. Water schiet uit lekke leidingen. De Angolese hoofdstad is een vuilnisbelt vol met ziektekiemen, een van de smerigste oorden van Afrika.

De vervallen steden van het land worden omringd door de vernietigde infrastructuur van het platte land. Vooral in het zuiden en midden van het land vormt een niet geknakte brug een uitzondering. De landbouwproduktie kan de Angolezen nauwelijks voeden - en dat terwijl Angola vóór de onafhankelijkheid in 1975 voedsel exporteerde.

In een kliniekje in de provincie Bié in het midden van het land behandelt een arts wekelijks honderden gevallen van ondervoeding. “Vele families zijn gedesintegreerd tijdens de oorlog”, vertelt de arts. “De vader of moeder overleden en de rest van de familie ging op de vlucht. Eénderde van de bevolking raakte ontheemd door de strijd en weinigen slaagden er nog in een nieuw bestaan op te bouwen”.

De regering van de Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola (MPLA) wijt de sociale misère en het verval aan de oorlog. De tegenstanders van de MPLA bij de verkiezingen van vandaag en morgen betogen dat vooral het marxistische regeringsbeleid van de MPLA tot de ellende heeft geleid. Buitenlandse waarnemers verwijten de MPLA te veel van haar mislukkingen af te schuiven op de oorlog. “De MPLA-functionarissen sloten zich comfortabel op in de steden en lieten het platteland stikken”, zegt een diplomaat. “De corruptie en incompetentie is enorm in deze regering. De overheid heeft nooit serieuze pogingen ondernomen om sociale programma's op te zetten, ook niet in de steden”.

In de mondiale statistieken der ellende scoort Angola vrijwel altijd hoog. Het heeft percentueel het hoogste aantal oorlogsinvaliden ter wereld. Het land staat op de derde plaats waar het om de kindersterfte gaat. Veertig procent van alle leerplichtige kinderen gaat niet naar school: er zijn geen scholen. De meeste onderwijzers gingen zelf slechts zes jaar naar school. Na de onafhankelijkheid nam het bruto nationaal produkt met ruim zestig procent af.

Het vorig jaar mei gesloten vredesakkoord tussen de MPLA en de Unie voor de Totale Bevrijding van Angola (UNITA) maakte een einde aan de oorlog maar niet aan de onveiligheid. Het platteland ligt nog bezaaid met landmijnen. Ontevreden gedemobiliseerde regerings- en UNITA-soldaten stropen stad en land af. Luanda is tot de gevaarlijkste steden van Afrika gaan behoren. Vrijwel iedere avond klinken er schoten. De nieuw samengestelde ordetroepen willen, kunnen of durven niet in actie te komen.

Tijdens het overgangsproces tussen het vredesakkoord en de verkiezingen moesten meer dan 150.000 soldaten worden gedemobiliserd, een taak die slechts voor de helft is volbracht. De nieuwe veiligheidstroepen, samengesteld uit UNITA- en MPLA-eenheden, wachten de verkiezingsuitslag af alvorens te besluiten of zij zich onder hun nieuwe bevel schikken. Intussen heerst de wanorde. Diamanten, één van de belangrijkste hulpbronnen van het land, worden op dermate grote schaal het land uit gesmokkeld dat de prijzen op de internationale markten dalen. Regeringsfunctionarissen die vrezen na een UNITA-overwinning hun baantje te verliezen, vullen nog snel hun zakken. Deze plunderingen van Angola's rijkdommen vinden op klaarlichte dag plaats.

Angola behoort door zijn natuurlijke hulpbronnen - olie en goede landbouwgronden - tot de potentieel rijkste landen van Afrika. Met vrede en stabiliteit kan het land deels op eigen krachten snel aan de wederopbouw beginnen. Westerse en Zuid-Afrikaanse zakenlui staan te trappelen om te komen investeren.

De wederopbouw van het vertrouwen van het volk in zijn regering vormt een voorwaarde voor economisch herstel. “De Angolezen zijn een beetje de kluts kwijt”, vertelt een ambtenaar. “Het fatalisme van de oorlogsdagen duurt nog voort. Van opbouw kon toen geen sprake zijn, iedereen had de moed opgegeven. Er werd niet meer gewerkt. Het opgeblazen, centraal geleide staatsapparaat gaf bovendien alle aanleiding tot luiheid. Ook als je niet op je werk verscheen ontving je een salaris. Wij Angolezen hebben ons nog niet verenigd met het idee dat er nu hard moet worden gewerkt aan de heropbouw. Wij zijn niet gewend aan de vrede. Die mentaliteitsverandering zal even moeilijk blijken als het herstel van de vernietigende infrastructuur”.