Irans zwakte ten grondslag aan nieuwe crisis in de Golf

Na de oorlog in het Golfgebied, waarin president Rafsanjani lof oogstte voor zijn neutrale opstelling - die neerkwam op steun voor de anti-Iraakse alliantie - werd het Iraanse bewind niet langer beschouwd als radicaal-griezelregime dat slechts uit was op export van zijn revolutie en ondermijning van zijn buren. De Arabische regio haalde, opgelucht over Irans transformatie, de relaties met Teheran aan en regeringsdelegaties wisselden druk bezoeken uit. Er werd gespeculeerd over een Iraans aandeel in de Samenwerkingsraad voor de Golf (GCC), ja zelfs over een militaire rol.

Maar die Arabische opluchting heeft niet lang geduurd. Het reusachtige herbewapeningsprogramma van Iran wekte al snel bezorgdheid: natuurlijk was het voor een groot deel bedoeld om de verliezen tijdens de achtjarige oorlog tegen Irak goed te maken, maar de bestellingen waren wel erg groot en de voortdurende geruchten over een Iraans kernwapenprogramma deden de relaties ook geen goed. De de facto annexatie door Iran van het Golf-eilandje Abu Musa heeft het groeiende wantrouwen versterkt en ervoor gezorgd dat Iran nu op zijn uitgangspunt terug is, van een eng, expansionistisch land dat de regio wil domineren. Zoals de Perzen door de eeuwen heen altijd hebben gewild.

Maar niet Irans kracht, zijn zwakte staat op de achtergrond van wat inmiddels tot een kleine crisis is uitgegroeid. Iran is niet alleen militair maar ook economisch bijzonder verzwakt uit de oorlog tegen Irak en uit jaren van revolutionair-islamitisch wanbeleid tevoorschijngekomen. Rafsanjani had zich na het staakt-het-vuren met Irak en de dood van imam Khomeiny ten doel gesteld door een pragmatisch beleid Irans geïsoleerde positie in de wereld te doorbreken en zo de broodnodige Westerse investeringen aan te lokken. Toen eerder dit jaar alle Westerse gijzelaars in Libanon door hun pro-Iraanse bewakers waren vrijgelaten en Rafsanjani er bij de verkiezingen in slaagde de radicale tegenstanders van liberalisering van de economie uit het parlement te jagen, leken zijn beleid geslaagd en zijn positie onaantastbaar.

Maar in feite was dit schijn. Rafsanjani's pragmatisme was te voorzichtig geweest om Westerse investeerders te overtuigen, terwijl het zijn eigen conservatieven, die weliswaar een liberalisering van de economie steunen maar niets moeten hebben van toenadering tot het Westen of van versoepeling van de islamitische voorschriften, tegen hem in het harnas had gejaagd. En zo wordt Rafsanjani nu belaagd door de armen, die als gevolg van de economische liberaliseringsmaatregelen in aantal groeien en steeds armer worden, en door de conservatieven die elke "kniebuiging' voor het "ongelovige Westen' verketteren. Aan de ene kant wordt hij geconfronteerd met vaak gewelddadige demonstraties en onlusten, aan de andere kant gedwongen de Islamitische Revolutie in woord en daad te omarmen.

Op zo'n moment komt een buitenlandse crisis vaak goed van pas om de aandacht af te leiden en het thuisfront te verenigen. De Iraanse leiders spreken in de kwestie-Abu Musa voortdurend van grote buitenlandse samenzweringen tegen de islam, waarbij zoals in Iran gebruikelijk de Verenigde Staten en Groot-Brittannië betrokken zijn. “Wie zit erachter”, vroeg Rafsanjani zich eerder deze maand tijdens het Vrijdaggebed af. “Wie ziet er niet de hand in van de koloniale mogendheden van weleer, dezelfde boosaardige handen, achter deze affaire? Wie ziet er niet de hand in van de krachten die in de Perzische Golf aanwezig zijn, de handen van de VS, de handen van de vergane en sinistere koloniale macht, dat wil zeggen de Britse regering?”

Hun doelstelling is, aldus nog steeds Rafsanjani, het gebied te vernederen. Maar “het geneesmiddel voor dit alles is eenheid - dan is de Iraanse regering nergens bang voor”. En zijn medestanders zeggen het hem na.

Een tweede oogmerk van de Iraniërs, ook afgeleid van de zwakke economische positie, is zonder twijfel de Golfstaten onder druk te zetten om mee te werken aan verhoging van de olieprijzen door beperking van de produktie. Tot grote woede van Iran, dat van zijn olie-inkomsten afhankelijk is, heeft de Organisatie van Olieproducerende en -exporterende landen (OPEC) het produktieplafond steeds verder verhoogd, laatstelijk nog deze maand, wat de prijzen onder druk zet - terwijl ook de Amerikaanse dollar in waarde vermindert. De Iraanse olieminister, Gholam Reza Agazadeh, onderstreepte tien dagen geleden nog dat de olieprijs alleen al 2 tot 3 dollar omhoog zou moeten ter compensatie van de verzwakking van de dollar. Iran staat op dit punt lijnrecht tegenover de Arabische Golfstaten.

En nu? Iran heeft bezworen dat het “een vreedzame oplossing” nastreeft, waarbij het vermoedelijk denkt aan Arabische aanvaarding van de huidige situatie. De Iraanse leiders en media verklaren al weken eenstemmig dat “niemand het recht heeft te onderhandelen over het kleinste stukje Iraans grondgebied”. De Arabieren op hun beurt, verbaal verenigd in hun afwijzing van de Iraanse actie, hebben gedreigd de zaak in de Verenigde Naties aan de orde te stellen. Aangezien er geen uitzicht is op een nieuwe geallieerde bevrijdingsoperatie, zijn de Iraniërs voorlopig aan de winnende hand.