Interventie

Ik kan het volledig begrijpen en respecteren als redacteur Derk- Jan Eppink zijn eigen denkbeelden heeft als het gaat over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de buitenwereld om bij te dragen aan een oplossing voor de oorlog in het voormalige Joegoslavië (NRC Handelsblad, 24 september). Maar bij zijn verslag over de op initiatief van De Balie gevoerde discussie hierover in de Amsterdamse Beurs, laat Eppink zijn ideeën hieromtrent interfereren met de feiten, en dat vind ik jammer.

Zo kan ik mij volstrekt niet herinneren dat ik in mijn bijdrage een oplopende reeks van aantallen militairen heb genoemd (variërend van vijftienduizend tot vierhonderdduizend) die in ex-Joegoslavië tussenbeide zouden moeten komen. Ik heb geen enkel cijfer genoemd, om de eenvoudige door mij daar ook aangehaalde reden dat ik geen militaire deskundige ben, en over dat soort technische bijzonderheden dus niet goed kan oordelen.

Ik heb me daarentegen wel (als burger en getuige van de gruwelen die in die oorlog plaatsvinden) uitgesproken voor een internationale interventie op een zo grote schaal als nodig is om het bloedvergieten te stoppen.

Koen Koch heeft, anders dan Eppink schrijft, niet gepleit voor een interventie, maar (naar het mij toescheen niet zonder enige bitterheid) vastgesteld dat het Westen niet “tot zo'n interventie zal overgaan, omdat Westerse democratieën geen levens van soldaten op het spel plegen te zeten, wanneer er geen directe nationale belangen in het geding zijn. Zijn conclusie was derhalve dat het enige haalbare is om te proberen met preventieve middelen te verhinderen dat elders op de Balkan of in Oost-Europa soortgelijke etnische conflicten uitbreken.