Een deel van steenkolenindustrie moet ook na 2005 blijven draaien; Duitse mijnbouw is fel tegen EG-plan

ESSEN, 29 SEPT. Ook de Duitse mijnindustrie is ondanks een jaarlijks subsidie van 10,2 miljard DM, juist als die in andere Europese landen, op haar retour. Het aantal Duitse mijnen zal tussen nu en het jaar 2005 worden teruggebracht van 25 naar 17. Dat houdt een reductie in aan arbeidsplaatsen van 120.000 naar 80.000. Ter vergelijking: in 1957 werkten er in de Duitse mijnindustrie nog 430.000 mensen. De produktie zal worden teruggebracht van 70 nu naar 50 miljoen ton. De afzet daarvan aan energiecentrales en de staalindustrie is in ieder geval tot einde 1995 verzekerd door een overeenkomst.

De gezamenlijke Duitse steenkolenmijnen in het Ruhr- en het Saarbekken en de mijn Preussag in Ibbenbühren streven samen met de Bondsregering en de vakbonden naar het overeind houden ook na 2005 van een deel van de sector.

Het openhouden van de mijnen gebeurt op dit moment met behulp van subsidies waarmee het verschil tussen de lagere wereldmarktprijs en de Duitse prijs (270 DM per ton) wordt bijgepast. Bonn en de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Saarland fourneren dit jaar 4,8 miljard DM aan subsidies. Daar komt nog eens 5,4 miljard DM bovenop door de zogenoemde “Kohlepfennig”, die elke burger moet betalen aan de stroomleveranciers om die in staat te stellen de dure Duitse kolen te blijven afnemen.

Ir. H.J. Laufer en dr. M. Hessling van Ruhrkohle, een verzameling van een aantal mijnondernemingen, verzetten zich hevig tegen het deze zomer uitgelekte voornemen van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG, om na 1997 alleen nog maar toestemming te geven voor nationale subsidies, die zijn gericht op het stilleggen van kolenmijnen, die niet voldoen aan een nog nader vast te stellen gemiddeld kostenniveau dat zal gelden voor de hele Europese gemeenschap. De Duitsers vrezen dat, als deze plannen doorgaan, niet alleen alle Duitse, maar ook de meeste Europese mijnen gesloten moeten worden.

“Het Brusselse voornemen”, zeggen Hessling en Laufer, “is in schrille tegenstelling tot wat het Europese parlement en de Europese ministerraad vinden en ook met ons uitgangspunt dat we onze kolenindustrie nodig blijven hebben om een deel van de binnenlandse vraag naar energie veilig te stellen en ons minder afhankelijk te maken van import.”

“Tijdens de oliecrises in de jaren zeventig hebben we gemerkt hoe gevaarlijk die afhankelijkheidspositie is. Bovendien heeft ons land in de steenkolen en de bruinkool de enige eigen energiebronnen, want olie hebben we niet en aardgas maar heel weinig. Gelukkig is de energieparagraaf uit het verdrag van Maastricht gebleven. Dat betekent dat elk land voorlopig zijn eigen politiek kan blijven voeren. Zou Holland het leuk vinden als men in Brussel zou gaan bepalen wat het met zijn aardgas moet gaan doen?”, vragen Laufer en Hessling.

Ze merken er nog bij op dat het sluiten van mijnen onherroepelijk. In een gesloten mijn zullen de kolen onder water verdwijnen. Mocht men in de toekomst toch weer opnieuw kolen gaan delven, dan zullen er geheel nieuwe mijnen in nieuwe kolenvelden gebouwd moeten worden. Het bouwen van een nieuwe mijn kost minimaal 1 miljard DM.

De Duitse strategie was tot nog toe gericht op een geleidelijke sanering van de mijnindustrie, zodat voor de vervallende arbeidsplaatsen alternatieve plaatsen kunnen worden geschapen. In de oprichtingsakte van Ruhrkohle uit 1969 is daarom opgenomen dat de mijnen een bepaald deel van de omzet zullen steken in andere activiteiten zoals de chemie, milieutechniek, handel en diensten. Op dit moment is dat bij Ruhrkohle 36 procent van de totale jaarlijkse omzet, die 22 miljard DM bedraagt. Met dat geld heeft Ruhrkohle een groot aantal dochters opgericht en aandelen gekocht in andere ondernemingen. Daarin vinden tesamen 41.000 mensen werk. Dankzij de Duitse mijnindustrie vinden in de bedrijven die mijnmachines maken tenminste 20.000 mensen werk. Deze industrie voorziet voor 40 procent in de behoefte aan mijnmachines op de wereldmarkt.

Het probleem in een deel van de Duitse mijnstreken, is evenals in Polen, Roemenië en Engeland, dat er door de mijnindustrie nooit ander werk is geweest.

De produktiekosten van een Duitse ton kolen liggen op dit moment op 270 DM. Dat is tegelijk de prijs, die men er voor vraagt. In Engeland liggen de produktiekosten op 170 DM, maar de vergelijking met Engeland, zeggen Laufer en Hessling van Ruhrkohle, loopt mank. In de Duitse prijs zijn niet zoals in Engeland uitsluitend de kosten van winning opgenomen, maar ook vele bijkomende kosten, zoals een bijdrage in de gezondheidszorg, schade die door de mijnindustrie in het verleden is aangebracht en de subsidies, die via de staat en de “Kohlepfennig” binnenkomen.