De verloren onschuld van Wyndham Lewis

Tot 11 oktober is in het Londense Imperial War Museum een tentoonstelling te zien van het werk van een tijdens zijn leven niet erg gewaardeerde schrijver/schilder. Wyndham Lewis: Art and War.

Wilton Crescent, westelijk van Hyde Park, in een diplomatenwijk vol stijve Victoriaanse gebouwen die zijn gebouwd in de vorm van een halve maan. Het zijn huizen die de bezoeker met de nek aankijken. Het op nummer veertig aan het gietijzeren hek vastgeklonken schild verwijst leveranciers naar het souterrain. Kwam de schilder Wyndham Lewis in de winter van 1913 op 1914 ook door de dienstingang? Je zou het denken. De hongerkunstenaar Lewis, die zo ongeveer in zijn eentje de avant-garde vormde van de Engelse literatuur en beeldende kunst en dus geen droog brood verdiende, voltooide hier zijn tweede grote opdracht: de decoraties voor Lady Drogheda's eetzaal.

Bij een eerste ontmoeting moet de frivole gravin hebben geroepen: “Kom me alstublieft opzoeken. Ik wil dolgraag dat u een fries voor me schildert.” Drie maanden later voltooide Lewis een serie panelen voor boven het haardvuur. De kachel moest blijven branden en het tijdschrift Blast, waaraan hij op dat moment samen met zijn vriend Ezra Pound werkte, slokte ook flink wat geld op. De gravin, geen liefhebster van moderne kunst, was er vooral zeer mee in haar nopjes hoe op ontvangsten de donkere tinten van de wandschilderingen haar blote schouders weerspiegelden. Met de verkoop van het huis in 1920 verdween elk spoor van Lewis' werk.

De anekdote staat niet op zichzelf. Londen heeft de schilder en schrijver Lewis altijd met de nek aangekeken.

Volgens zijn biograaf Jeffrey Meyers woonde Lewis van 1929 tot aan zijn vertrek naar Marokko in 1931 in Ossington Street, nu een stille zijstraat van Bayswater Road met bomen die overhangen naar de dakgoten van de tegenoverliggende huizen, op nummer 53. Stil sta ik er te kijken: de huisnummers verspringen van 51 naar 55.

Wyndham Lewis studeerde aan de Londense Slade School of Art. Hij zwierf daarna een flink aantal jaren door Europa en woonde achtereenvolgens in het Haarlem van Frans Hals en het Madrid van Goya. Maar meestal hield hij zich op in Parijs, het decor ook van zijn eerste roman Tarr. De gelijknamige schilder wil al zijn energie voor zijn kunst bewaren en voert een tragikomisch gevecht om maar niet naar zijn Duitse verloofde Bertha te gaan. “Goede kunst mag geen binnenkant hebben”, verwoordt "Tarr' Lewis' weerzin tegen sentimentaliteit. Terug in Londen neemt hij de handschoen op tegen het "establishment'. Hij hoont de idylle van het Britse landleven. Lewis wordt de grote regisseur van het vorticisme, de Britse pendant van het futurisme, dat bestond uit een groep kunstenaars rondom "Blast' dat in 1914 en 1915 door Lewis werd geredigeerd en volgeschreven. T.S. Eliot noemde Lewis in zijn recensie van "Tarr' de meest fascinerende persoonlijkheid van zijn tijd. In elk geval stelt hij met de nodige verbijstering vast hoe profetisch Lewis is geweest. Hij had zich rond 1912 al een wereldbeeld en een beeldentaal eigen gemaakt waarin de Eerste Wereldoorlog - Lewis vocht voordat hij werd gepromoveerd tot oorlogskunstenaar als artillerie-officier in de slag van Passchendaele - als het ware al lag opgesloten. In een van zijn vroege korte verhalen, De humorsoldaat, schrijft hij: “Deze darmenzak met zijn uitgroeisels, zijn vreemde geur en blonde huid, de twee heldere rollende knikkers waarmee hij ziet, toverballen vol spot en gekte, is mijn houten paard. Ik hang ergens in het binnenste en bestuur het afstandelijk.” Kan iemand die dit in 1911 schrijft zijn onschuld nog verliezen? Neen dus: “Never such innocence.” Lewis begroef de negentiende eeuw al toen zijn directe omgeving het landelijke leven nog idealiseerde.

Het eerste werk van de tentoonstelling Wyndham Lewis: Art and War heet "Two mechanics', naar het kubisme neigende figuren, geschilderd in roestbruin, al voorbestemd, zo lijkt het, voor de loopgraven. Je loopt onder "Rockets', "Henkels' en "Spitfire's' door naar twee zaaltjes waar het duidelijk is dat Wyndham Lewis hier alleen maar wordt gedoogd. Tijdens zijn leven kocht het Imperial War Museum bitter weinig van hem aan. De expositie nu heeft veel weg van een schuld die tandenknarsend wordt ingelost. De "nukkige mensmachine' Lewis had weinig op met heroïek en kameraadschap. Zijn recruten zijn gepantserde insekten, zijn exercitieterrein is een knekelveld. Aan romantiek een broertje dood.

Zijn oorlogservaringen versterkten hoogstens zijn afstandelijkheid. Zijn onverzoenlijkheid werd er een leven lang door geschraagd. Hij riep zichzelf in 1927 zelfs uit tot The Enemy. Hij schreef in 1930 een redelijk gunstige monografie over een gemankeerde schilder uit Oostenrijk die hem niet in dank werd afgenomen. Pech had hij dat de Hitler Cult, de rectificatie die hij acht jaar later schreef, pas werd gepubliceerd toen de oorlog al was uitgebroken. Maar het was toch vooral zijn roman The revenge for love uit 1936 die hem de das omdeed. Lewis bespot daarin het gestuntel van de roze-rode Britse intelligentsia in de Spaanse burgeroorlog. Onder het mom van solidariteit wordt er volgens hem achter de linies gezopen en achter de vrouwen aangezeten (ach, wie schrijft er heden ten dage eens zo'n roman over de internationale ontwikkelingshulp). Je zou Lewis een satiricus kunnen noemen, als hij zich niet voortdurend in zijn eigen vlees sneed. Hij heeft zichzelf volledig vereenzelvigd met zijn rol van De Vijand. Hij was zich al heel vroeg bewust van die fascinatie, getuige de zelfanalyse uit De humorsoldaat:

“Ik geef zonder scrupules gehoor aan wat mijn fraaie gestel me influistert. Aan dit zeer levendige besef van wat ik ben is mijn gevoel voor humor in zijn rijpere fase ontsproten. Door dat uit te spelen tegen een ander vijandelijk ik, dat niet houdt van hoe ik ruik, dat mijn grote tanden, mijn lengte enzovoorts, waarschijnlijk verafschuwt, reageer ik in zekere zin de schrik af die ik mezelf aanjaag.”

Zijn laatste schilderij, Red figures carrying babies, maakt Lewis in 1951. Vage, soldateske figuren dragen de Eerste Wereldoorlog voor zich uit. Lewis is verbitterd, vereenzaamd en bijna blind. Maar zijn genadeloze spot, die ook altijd hemzelf betrof, heeft hij nog niet verloren. “Menig schrijver wordt gek, maar verrassend weinig worden er blind”, concludeert hij.

    • John Albert Jansen