d'Ancona over Vlaams-Nederlands centrum in Brussel: "Nederlands Huis' in onderzoek; Tweede Kamer wil meer geld voor presentatie van Nederlandse cultuur in het buitenland

DEN HAAG, 29 SEPT. De Nederlandse regering zal uiterlijk in februari volgend jaar de Tweede Kamer laten weten of er een mogelijkheid is samen met Vlaanderen een "Nederlands Huis' te vestigen in Brussel. Minister d'Ancona (WVC) deed die toezegging gisteren nadat vrijwel de hele Tweede Kamer in een motie erop had aangedrongen nog dit jaar daarover een uitspraak te doen. Het "Nederlands Huis', dat na de opening van het Vlaams Cultureel Centrum in Amsterdam al meer dan tien jaar in discussie is, zou volgens de Tweede Kamer in de hoofdstad van Europa een steun moeten zijn voor de positie van de Nederlandse taal en cultuur in een integrerend Europa. Het voorstel voor een "Nederlands Huis' dat in april werd gedaan door het Algemeen Nederlands Congres zou daarvoor een uitgangspunt kunnen zijn.

Minister d'Ancona zei gisteren dat het, ondanks de wens van de Kamer nu eindelijk eens snel tot zaken te komen, niet mogelijk is eerder dan begin volgend jaar te komen met een principe-uitspraak. De minister wil eerst onderzoeken wat precies de functies moeten zijn van een "Nederlands Huis'. “Het gaat mij niet om het dak, maar om wat daaronder gebeurt.” Ook moet daarover eerst nog overeenstemming worden bereikt met de Vlaamse deelregering die daaraan ook financieel zou moeten bijdragen.

Volgens het CDA-kamerlid Beinema zou het onwenselijk zijn het bureau van de Nederlandse Taalunie in het "Nederlands Huis' in Brussel te vestigen, omdat die plaats daarvoor te excentrisch ligt binnen het Nederlandse taalgebied. De Tweede Kamer is voorstander van een veel grotere samenwerking op cultureel gebied tussen Nederland en Vlaanderen en een uitbreiding van de werking van de Taalunie tot alle uitingen van cultuur.

Vrijwel de gehele Tweede Kamer - regeringspartijen èn oppositie - bepleitte gisteren tijdens een uitgebreide commissievergadering over de Nota internationaal cultureel beleid een veel grotere financiële inspanning van Nederland om de Nederlandse cultuur in het buitenland uit te dragen. “De lengte van dit debat is omgekeerd evenredig aan de middelen die beschikbaar zijn”, vond PvdA-woordvoerder Valk. VVD-woordvoerster Van Heemskerck Pillis- Duvekot sprak van een “krentewegerige mentaliteit”. De budgetten van de culturele attaché's die PvdA-woordvoerder Valk nog schatte op “enkele tienduizenden guldens”, werden door staatssecretaris Dankert (BZ) gepreciseerd tot “ten hoogste 15.000 gulden.” Valk achtte sponsoring dan maar wenselijk.

PvdA en CDA vragen in een motie om meer geld voor een intensivering van de culturele betrekkingen met Midden- en Oost-Europa, zonder dat ten koste te laten gaan van de culturele betrekkingen met andere landen. CDA en D66 vragen in een motie hetzelfde voor de culturele contacten met Zuid-Afrika. Staatssecretaris Dankert zei sympathie te hebben voor de wens tot meer geld voor Midden- en Oost-Europa, maar kon geen toezeggingen doen. De middelen voor Zuid-Afrika waren volgens hem onlangs al verdubbeld.

De Kamer toonde zich aanvankelijk zeer sceptisch over de algemene vaagheid en het gebrek aan bevlogenheid in de nieuwe nota over het internationaal cultureel beleid. Op dat gebied werd gedurende de afgelopen jaren algemeen een gebrek aan daadkracht gesignaleerd en geringe coördinatie door BZ. “Een momentopname van een miezerig beleid”, zei de VVD. “Als ik vandaag het verhaal had voorgelezen dat mijn voorganger hier al jaren geleden hield, zou dat niemand zijn opgevallen”, zei de PvdA-er Valk tegen de drie PvdA-bewindslieden die de nota hadden opgesteld: staatssecretaris Dankert van Buitenlandse Zaken dat het beleid coördineert, en de ministers d'Ancona (WVC) en Ritzen (O&W).

Prioriteitslanden voor de Nederlandse culturele contacten zijn volgens Dankert Vlaanderen, Midden- en Oost-Europa, Zuid-Afrika, Indonesië, Suriname en in mindere mate China. Met 34 landen heeft ons land culturele verdragen, die soms een slapend bestaan leiden. De Nederlandse regering vindt die volgens Ritzen “muffige” verdragen, met hun grote overheidsinvloed op de uitvoering daarvan, uit de tijd en wil de internationale contacten liever overlaten aan daarvoor beter geëquipeerde organisaties.

De bewindslieden gaven toe dat om verschillende redenen niet alles even goed was verlopen met de Nederlandse deelname aan de wereldtentoonstelling in Sevilla en de voorbereiding van de Nederlandse presentatie op de Frankfurter Buchmesse, volgend jaar. Maar de ministers d'Ancona en Ritzen wisten toch aannemelijk te maken dat er juist de laatste tijd veel meer dan voorheen gebeurt op het gebied van internationale contacten. Dat die vaak plaatsvinden zonder veel of zelfs maar enige overheidsbemoeienis werd door hen toegejuicht. Het CDA-lid Beinema was daardoor niet overtuigd: “Dat is juist het probleem, zo is er geen beleid, zo zijn er geen duidelijke doelstellingen.”

Met het Institut Néerlandais in Parijs gaat het de laatste tijd beter en het Erasmushuis in Djakarta, onlangs bezocht door minister Ritzen, is volgens hem “een swingende tent.” De minister was er onder de indruk gekomen van het enthousiasme waarmee onder andere spoedcursussen Nederlands worden gegeven aan Indonesische jongeren die in Nederland gaan studeren. “Alleen de woorden "motregen' en "hagelslag' kenden ze nog niet, maar dat komt wel als ze hier zijn.”

Vrees bestond bij de Tweede Kamer over het verlies van culturele autonomie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht, omdat garanties voor nationale beslissingsbevoegdheden op cultureel terrein minder strikt zijn geformuleerd dan die op educatief gebied. Dankert stelde de Kamer op dit punt gerust: een andere verwoording, het gevolg van een versnipperde voorbereiding van de verdragstekst, betekent volgens hem geen ander beleid.