Dame zoekt oudere heren

Op een van de bankjes voor de Haagse rechtszaal zit de advocaat mr. A. Seedorf met zijn sappige Surinaamse tongval hardop zijn pleidooi door te nemen. “Edelachtbare!...en dan verzoek ik u....aangezien niet bewezen kan worden geacht...valsheid in geschrifte...” Zijn cliënte zit in voorlopige hechtenis, we zien haar pas als ze vanuit een zijvertrek door enkele bewakers de rechtszaal wordt binnengeleid om voor haar drie rechters plaats te nemen.

Johanna Vellema is een 60-jarige vrouw op hoge laarzen met glimmend beslag en met een donkerblonde vlecht die haar jonger maakt dan zij is. Ze houdt haar kin iets geheven en ze kijkt benard, maar niet bevreesd, om zich heen. Mevrouw Vellema wordt beschuldigd van oplichting van twee bijna 80-jarige heren. Zij zou hen grote sommen gelds hebben afgetroggeld onder voorwending van haar eeuwige, onverzadigbare liefde voor hen.

“U heeft geld gekregen van meneer Verbeek?” vraagt de voorzittende rechter, mr. R. van Rossum.

“Niet waar”, bitst mevrouw Vellema, om er meteen aan toe te voegen: “Ik heb tweemaal 2.500 gulden gekregen.”

“Nog meer?”

“Nee, meneer. Ik ben na de kennismaking naar zijn huis geweest, we hebben in totaal twee keer gevreeën en gezoend, we hebben wat uitstapjes gemaakt en omdat hij me graag in mooie kleren zag, heeft hij me daarvoor geld gegeven.”

“Meneer Verbeek hoort slecht en is vergeetachtig”, zegt de rechter. “Hij kan zich alleen nog herinneren dat hij u geld voor tegels in de badkamer heeft gegeven.”

“Meneer, ik hèb al tegels in de badkamer.”

“U zou hem ook zeshonderd gulden voor de eethoek hebben gevraagd.”

“Is niet waar. Ik hèb al een eethoek.”

“U heeft samen gevreeën. Wat moet ik daaronder verstaan?”

“We zoenden met elkaar, we hadden het echt gezellig.”

“Meneer Verbeek beweert dat hij niet meer echt kan vrijen.”

“Ik heb ook geen nummertje met hem gemaakt, ik heb alleen gezoend.”

“U noemde nooit uw achternaam.”

“Welnee, meneer. Waarom zou ik daar moeilijk over doen? Ik ben een vrije vrouw.”

Een zéér vrije vrouw, zo blijkt als de rechter over de zaak-Deelhoven begint. De 77-jarige meneer Deelhoven maakte in een Haags restaurant kennis met mevrouw Vellema. Volgens de aanklacht zou zij hem na een poosje hebben wijsgemaakt dat zij een collega van zijn overleden echtgenote was geweest.

“Hoeveel geld heeft u van hem gekregen?” vraagt de rechter.

Mevrouw Vellema haalt diep adem en zegt bijna plechtig: “Ik heb mijn lichaam als próóstitutie verkocht. Ik kwam een jaar lang driemaal per week bij meneer Deelhoven. We hebben samen nummertjes gemaakt, ik pijpte hem, ik moest hem in zijn mond plassen, ik moest zijn anus likken, ik kan daar nog veel meer over vertellen, maar ik ben een vrouw, dus dat doe ik niet.”

“Dat hoeft ook niet”, haast de rechter zich. “Meneer Deelhoven ontkent die seks. U kwam bij hem binnen, kleedde zich meteen uit en ging dan op het bed liggen. Meneer Deelhoven zegt dat hij hooguit drie keer, enigszins ontkleed, naast u is komen liggen.”

“Ik heb een jaar lang séks met hem gehad”, snerpt mevrouw Vellema. “Ik heb álles met hem uitgehaald. Als ik alles zou moeten uitleggen...het is dat ik een vrouw ben...”

“We zouden alleen maar met rode oortjes zitten luisteren”, verzekert de rechter haar, “en dat is de bedoeling niet. Volgens meneer Deelhoven had u aangeboden hem te trouwen.”

“Waarom zou ik trouwen? Dan raak ik toch al dat geld kwijt?”

Het antwoord is niet van logica ontbloot, want mevrouw Vellema had al snel grote geldbedragen van meneer Deelhoven geïncasseerd. In totaal moet hij haar in een jaar tijds 167.000 gulden hebben gegeven. Hij had er zelfs ten bedrage van 43.000 gulden de bankrekening van zijn zuster, voor wie hij als bewindvoerder optrad, voor geplunderd. Dat geld moet hij nu terugbetalen. Meneer Deelhoven is na een geslaagd leven op hoge leeftijd alsnog tot de bedelstaf geraakt.

Tegen een huishoudster zou hij hebben gezegd: “Die vrouw maakt mij kapot. Ik kan haar geen geld weigeren.”

Er blijken meer bejaarde heren voor de charmes van mevrouw Vellema te zijn bezweken. De kinderen van de overleden heer Vis misten twaalf mille, bij meneer Van Zoest was opeens dertig mille zoek en dan is er nog meneer Oldemans - maar hij is een geval apart. Hij heeft tegen de rechter-commissaris verklaard dat hij in het geheel geen spijt heeft van de 80.000 gulden die hij mevrouw Vellema heeft geschonken.

“Dat klopt”, zegt mevrouw Vellema trots. “We gaan zo gauw mogelijk trouwen.”

De rechter licht snel haar doopceel. Mevrouw Vellema blijkt al in 1948 - op 16-jarige leeftijd - door de kinderrechter wegens oplichting veroordeeld te zijn. Er volgden veroordelingen voor hetzelfde feit in 1950 en 1952. “In het verleden was u kennelijk niet betrouwbaar”, zegt hij.

“Dat is veertig jaar geleden!” roept mevrouw Vellema. “Daar weet ik niets meer van.”

De officier van justitie, mevrouw mr. I. Klopper, eist een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan zes voorwaardelijk. Zij noemt mevrouw Vellema “een typische beroepsoplichter, iemand die op grote schaal misbruik maakt van oudere heren”. Zij gelooft niet in de seksuele dienstverlening. “Als ik naar de leeftijd kijk van meneer Deelhoven, dan geloof ik hem eerder. En als het waar is, dan is die seks wel vreselijk duur geweest.”

Maar voor mr. Seedorf, de advocaat van mevrouw Vellema, zijn de gedupeerde heren maar hypocriete baasjes die zich tegenover hun familie schamen voor hun seksuele escapades. Hij vertelt dat mevrouw Vellema al vanaf haar negentiende jaar "het oudste beroep sinds Methusalem' uitoefent. “Oplichting kan niet worden bewezen”, meent hij.

De rechter kijkt mevrouw Vellema aan. “Voordat ik het onderzoek sluit”, zegt hij, “trekken we ons even terug in de raadkamer.”

Samen met de officier van justitie blijft mevrouw Vellema achter, onrustig schuivend op haar stoel. Na vijf minuten keert het rechterlijke college terug.

“Wij moeten u nu in vrijheid stellen”, zegt de rechter. “Er zijn onvoldoende gronden voor de voorlopige hechtenis. Maar dit wil niet zeggen dat vrijspraak volgt.”

Mevrouw Vellema weet niet wat haar overkomt. “Dank u wel, mevrouw”, zegt ze tegen de rechter, de heer R. van Rossum.

(Het vonnis, twee weken later: vrijspraak.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.