Beroepsleger kost geld

WIE IN HET tegenwoordige maatschappelijke klimaat de dienstplicht wil handhaven, moet met zeer goede argumenten komen. De Advies-commissie dienstplicht onder voorzitterschap van de Drentse commissaris van de koningin Meijer die gisteren rapport uitbracht heeft daartoe een poging gedaan, maar overtuigend is de bewijsvoering niet. Dat blijkt ook wel uit de eerste reacties van de Tweede-Kamerfracties. Het rapport heeft de eerder ingenomen stellingnames van de partijen in de meeste gevallen niet wezenlijk veranderd. Daarmee lijkt het rapport van de Commissie-Meijer hetzelfde lot te ondergaan als veel van haar voorgangers.

Zolang Nederland dienstplicht kent, bestaat er een dienstplichtkwestie stelt de commissie terecht in de eerste zin van het rapport. De jongste discussie over de dienstplicht is vooral ingegeven door de sterk veranderde internationale omstandigheden. De meest gehoorde reden om voor afschaffing van de dienstplicht te pleiten, is dat ten tijde van een kleiner wordende krijgsmacht bij het recruteren van dienstplichtigen in toenemende sprake is van willekeur. De last van de dienstplicht komt steeds meer op de schouders van een enkeling te liggen. Nu is het al zo dat slechts vier van de tien jongemannen ook daadwerkelijk in dienst gaan.

De Commissie-Meijer relativeert dit motief voor afschaffing van de dienstplicht door te stellen dat de beperkte deelname geen nieuw fenomeen is. De dienstplicht blijkt al sinds het begin van deze eeuw door slechts 30 tot 37,5 procent van het totale potentieel te worden vervuld. Het gaat er vooral om hoe dit wordt ervaren. Sinds het einde van de Koude Oorlog wordt die scheve verhouding als onrechtvaardig beschouwd.

DE COMMISSIE-MEIJER komt met vier redenen waarom op dit moment niet zou moeten worden gekozen voor een beroepsleger. De belangrijkste is dat het onduidelijk is of er op de arbeidsmarkt wel voldoende geschikte kandidaten kunnen worden gevonden voor een beroepsleger. Een krijgsmacht bestaande uit een kleine tachtigduizend man in vredestijd zou volgens berekeningen van de commissie jaarlijks ruim 13.000 militairen moeten werven om haar vacatures te vervullen: meer dan achthonderd beroepsmilitairen voor onbepaalde tijd en zo'n 12.500 voor bepaalde tijd. Dit komt neer op een verdrievoudiging van de wervingscapaciteit voor vrijwilligers.

Het is zonneklaar dat als er zich onvoldoende mensen aandienen, alles ophoudt. Maar het bureau dat in opdracht van de commissie een arbeidsmarktonderzoek heeft verricht stelt dat voldoende kandidaten te werven zijn indien de krijgsmacht haar eisen afstemt op de gangbare opleidingsniveaus, de arbeidsvoorwaarden en de wervingsstrategieën aanpast en de selectieprocedure nog eens kritisch doorlicht. Dat zou bij de omschakeling naar een beroepsleger dan ook moeten gebeuren.

De commissie stelt verder dat de dienstplicht in de grondwet ligt verankerd. Dit is geen argument om tegen een beroepsleger te zijn, het zegt slechts iets over de weg die zal moeten worden bewandeld, mocht inderdaad worden besloten tot een beroepsleger. Dan resteert het kostenaspect. Een beroepsleger kost geld. Volgens de berekeningen van de commissie gaat het tegen het jaar 2000 om eenmalig 400 miljoen gulden aan afvloeiingsregelingen voor overtollig opleidingspersoneel en daarnaast nog eens om eenzelfde bedrag aan structureel hogere personeelskosten.

HET GAAT dus uiteindelijk om een kostenafweging. Wie voor een beroepsleger kiest, zal daar het geld voor over moeten hebben. De kosten voor een gemotiveerd en doelmatig beroepsleger wegen ruimschoots op tegen het laten voortbestaan van de onbevredigende situatie, waarbij een minderheid van het potentieel de zo gevoelde pech heeft in dienst te belanden.