Beleidsvacuüm EG

Werkgevers en vakbeweging hebben elk om eigen moverende redenen opgelucht gereageerd op het benauwde "ja' van de Fransen tegen het Verdrag van Maastricht. De vakbeweging gelooft dat nu uitzicht blijft bestaan op een Europees sociaal beleid. De werkgevers hebben in het sociale protocol dat aan het verdrag is toegevoegd nooit veel anders gezien dan een merkwaardige vorm van schizofrenie. Het legt de Europese ondernemers immers allerlei verplichtingen op waaraan de Britse bedrijven zich kunnen onttrekken, omdat John Major geweigerd heeft er zijn handtekening onder te zetten.

Bij de meningsvorming over de vraag hoe het nu verder moet met de Europese integratie zien we meer tegenstrijdigheden opdoemen. Zo heeft de fractieleider van de VVD in de Tweede Kamer, Frits Bolkestein, gepleit voor nieuwe onderhandelingen over het verdrag. Hij vindt dat alle lidstaten, net als Groot-Brittannië, "uitstap-opties' zouden moeten krijgen. In het bijzonder vindt hij dat het Sociaal Handvest maar beter kan verdwijnen of sterk zou moeten worden verwaterd. Het sociale beleid behoort naar zijn mening tot het domein van de lidstaten, omdat dit beleid "zo dicht mogelijk bij de burger moet worden uitgevoerd'.

Eerder hield de fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, Thijs Wöltgens, een gelijkluidend betoog voor behoud van de nationale zeggenschap op sociaal terrein, zij het om andere redenen dan Bolkestein.

Van heel andere zijde viel eveneens een pleidooi te horen voor een revisie van het verdrag van Maastricht. In de Volkskrant pleitten twee beleidsmedewerkers van Groen Links voor het schrappen van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie waarin er één munt en één centrale Europese bank moeten komen. Eén van hun argumenten is dat minder monetaire dwang meer ruimte geeft aan sociaal en ecologisch beleid. In tegenstelling tot Bolkestein vinden zij dat het "moeizame compromis over sociale politiek' moet blijven. Minimumafspraken over sociaal beleid zijn naar hun mening hard nodig als, na het wegvallen van de grenzen, werknemers overal in Europa mogen werken.

Groen Links en de VVD vormden samen met het GPV een bondgenootschap dat een vergeefse poging deed de Tweede Kamer te bewegen tot heropening van het debat over "Maastricht'.

Wat is de visie van het kabinet? De Sociale Nota 1993 van minister De Vries en staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken biedt daar enig zicht op. De bewindslieden schrijven dat een Europees sociaal beleid met het tot stand komen van de Europese Akte in 1987 een forse impuls heeft gekregen. Er zijn beslissingsbevoegdheden overgedragen van het nationale naar het Europese niveau. In Nederland zijn we niet meer in staat om geheel zelfstandig het sociaal beleid vorm te geven. "We zullen steeds meer rekening moeten houden met Europa. In sommige gevallen zou dit kunnen leiden tot het moeten loslaten van door ons gewaardeerde structuren.'

De coördinatie van delen van het sociaal beleid zal door het akkoord van Maastricht meer en meer naar de Europese Gemeenschap verschuiven. Volgens De Vries en Ter Veld zal de kernvraag van de komende tijd zijn waar de coördinatie komt te liggen en hoe de bevoegdheden worden verdeeld.

De bewindslieden wijzen harmonisatie van de sociale zekerheid als richtinggevend beginsel van de hand. Zij vinden dat de vormgeving van de stelsels van sociale zekerheid primair behoort tot het nationale sociaal-economische beleid. Dit neemt niet weg, zo voegen zij eraan toe, dat ernaar moet worden gestreefd de doelstellingen van de stelsels naar elkaar toe te laten groeien.

Eén van de belangrijkste elementen van Maastricht is volgens de nota de aanzienlijke uitbreiding van de rol van de sociale partners. Voor het eerst toch zullen werkgevers en werknemers op Europees niveau kunnen worden geraadpleegd, terwijl zij ook de mogelijkheid krijgen zelf met voorstellen te komen. Misschien is dit één van de redenen waarom werkgevers en werknemers zich zo positief tegenover "Maastricht' opstellen. Het lijkt alsof een stukje Nederlandse overlegeconomie naar het niveau van de Gemeenschap wordt overgeheveld.

Toch is sprake van een groot beleidsvacuüm tussen het Europese en het nationale niveau. De sociale zekerheid mag dan tot de competentie van de nationale overheden blijven behoren, wanneer de Europese Unie een feit zal zijn, zullen ze worden verleid tot beleidsconcurrentie. Hun wedijver om de publieke lasten zoveel mogelijk te verlagen zal tot gevolg hebben dat de sterk uiteenlopende niveaus van sociale zekerheid op termijn tot een Europees gemiddelde worden vereffend.

Voor Nederland betekent dit dat het zich zal moeten neerleggen bij een verlaging van zijn relatief royale sociale uitkeringen. De vraag is of de Nederlanders dat wel willen. Eén van de redenen waarom de sociaal-democratische oppositie in Denemarken revisie of aanvulling van het verdrag van Maastricht wenst, is dat zij meer zekerheid wil dat het Deense stelsel van sociale zekerheid in stand blijft.