Aanpassingsprogramma's van IMF voor arme landen werpen vruchten af; Westen houdt hand op de knip voor de Derde wereld

WASHINGTON, 29 SEPT. De Westerse belangstelling voor de landen in de Derde Wereld neemt af op een moment waarop deze landen succes boeken met ingrijpende aanpassingen van hun financieel-economische beleid zoals door het Westen jarenlang is aangemoedigd. Terwijl het aantal landen dat een beroep doet op hulpgelden toeneemt, neemt de bereidheid van de industrielanden om geld beschikbaar te stellen af, bleek vorige week tijdens de jaarvergadering van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank in Washington. Tegelijkertijd toonde een studie van het IMF aan dat ontwikkelingslanden met succesvolle aanpassingsprogramma's beter presteren wat betreft groei, inflatie en betalingsbalans dan landen die aanpassingen uit de weg zijn gegaan.

Zowel Ernest Stern, de veteraan van de Wereldbank, als de nieuwe president Lewis Preston, waarschuwden vorige week voor de gevolgen van de Europese valutacrisis voor de hulp aan de armste landen. “Het zal invloed hebben op de begrotingen van de industrielanden en op de hulpstroom naar de armste landen. Na de gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben we gemerkt dat landen die traditioneel vrijgevig zijn, bezuinigen op hun ontwikkelingshulp”, zei Preston in zijn persconferentie ter afsluiting van de jaarvergadering.

Preston verwees naar Zweden, dat vorige week in het kader van begrotingssanering besloot tot vermindering van de ontwikkelingshulp. Zweden is evenals Nederland traditioneel een van de grootste donoren gemeten naar de hulp als percentage van het bruto nationale produkt. Ook Groot-Brittannië en Italië die in de valutacrisis van de afgelopen weken miljarden hebben verloren op de ondersteuning van hun munt, ontkomen wellicht niet aan bezuinigingen op ontwikkelingshulp. In Duitsland gaat alle aandacht naar beheersing van de overheidsuitgaven nu de kosten van de hereniging veel hoger uitvallen dan aanvankelijk werd beweerd, terwijl Frankrijk overweegt te bezuinigen op de subsidie aan de CFA, de franc in Franssprekend Afrika die kunstmatig hoog wordt gehouden.

“Het is een treurige ontwikkeling”, stelde Ernest Stern vorige week vast. Hij leverde kritiek op de industrielanden die waren geobsedeerd door de Europese valutacrisis en die andere dringende internationale onderwerpen zoals steun aan de economische hervormingen in de ex-communistische landen en de toezegging van hulpgeld voor de armste landen veronachtzaamden. “De donorlanden zijn naar binnen gericht. De aanpassingen (van de wisselkoersen) worden uitgevochten over de ruggen van de armste landen.”

De jaarvergadering van het IMF en de Wereldbank werd voor het eerst bijgewoond door de vijftien nieuwe lidstaten die zijn voortgekomen uit de uiteengevallen Sovjet-Unie. Maar terwijl vorige week zondag de economische situatie in deze landen op de agenda stond, hielden de EG-ministers van financiën een eigen spoedberaad over de gevolgen van het Franse referendum.

Ook voor de armste ontwikkelingslanden was geen aandacht. Op de agenda stond een nieuwe aanvulling van de middelen voor IDA, het "loket' van de Wereldbank dat geld ter beschikking stelt tegen zachte voorwaarden aan de armste landen. Alleen Nederland en de Scandinavische landen waren bereid om het bedrag voor IDA te verhogen tot 18 miljard dollar. Een dergelijke omvang, heeft de Wereldbank uitgerekend, is nodig om in reële termen uit te komen op een even hoog bedrag als de vorige aanvulling van IDA, drie jaar geleden. Daar komt bij dat het aantal ontwikkelingslanden dat toegang heeft tot IDA-leningen, stijgt en dat op de UNCED-conferentie deze zomer in Rio de Janeiro is overeen gekomen dat aan IDA een "milieu-component' wordt toegevoegd om milieu-programma's in de armste landen te financieren.

De terughoudendheid van de Westerse landen om geld voor hulp beschikbaar te stellen is des te opmerkelijker, omdat het Internationale Monetaire Fonds juist heeft vastgesteld dat de aanpassingsprogramma's, waarop het Westen steeds heeft aangedrongen, in ontwikkelingslanden vruchten afwerpen. In de World economic outlook, de halfjaarlijkse studie naar de stand van de wereldeconomie die het IMF vorige week publiceerde, is een hoofdstuk opgenomen over de ervaringen van ontwikkelingslanden die succes hebben geboekt met economische aanpassingen.

Volgens het IMF zijn 35 ontwikkelingslanden, verspreid over Afrika (10), Azië (12) Midden-Oosten (4) en Latijns-Amerika (9), te kwalificeren als "succesvolle aanpassers'. Zij vertegenwoordigen de helft van de economische produktie van alle ontwikkelingslanden. Het gaat om landen die zowel hun macro-economische beleid (inflatiebestrijding, sanering van de overheidsfinanciën, verbetering van de betalingsbalans) hebben verbeterd, als structurele hervormingen (liberalisatie van financiële markten, belastingen, handel, arbeidsmarkten en privatisering van staatsbedrijven) hebben uitgevoerd.

Vergeleken met landen die geen aanpassingsprogramma hebben doorgevoerd of die de hervormingen hebben opgegeven, zijn de verschillen opmerkelijk, aldus het IMF. “De landen die zich hebben aangepast vertonen als groep een hoger groeicijfer, lagere inflatie en een lagere buitenandse schuld. De resultaten met betrekking tot groei zijn in het bijzonder opmerkelijk in Afrika en Latijns-Amerika, gezien de negatieve gevolgen waarmee aanpassingsprogramma's aanvankelijk vaak gepaard gaan.”

Het hervormingsproces dat in ontwikkelingslanden gaande is, stelt het IMF vast, is een gevolg van de “beduidende verandering in de economische filosofie” in de Derde Wereld. Begin jaren tachtig waren slechts enkele ontwikkelingslanden serieus betrokken bij aanpassingsprogramma's. Nu zijn dergelijke programma's gemeengoed in uiteenlopende landen zoals Argentinië, Chili, Mexico, Korea, Thailand, Laos, Indonesië, Niger, Gambia, Ghana en vijfentwintig andere landen.

Terwijl de industrielanden begin jaren negentig een langdurige periode van slappe economische groei of van recessie doormaken, is zowel dit jaar als volgend jaar de groei in de ontwikkelingslanden als geheel uitbundig. De World Economic Outlook rekent in 1992 en in 1993 op een groei van 6,25 procent voor ontwikkelingslanden, de sterkste groei in tien jaar. Deze groei is niet alleen geconcentreerd in de Oost- en Zuidoost-Aziatische landen, maar vindt ook plaats in Latijns Amerika en delen van Afrika. Alleen Oost- en Zuidelijk Afrika maken een voortgaande economische achteruitgang door.

De negatieve effecten van een zwakke vraag uit de rijke landen en van lage grondstoffenprijzen worden voor de ontwikkelingslanden gecompenseerd door lagere rente en akkoorden over schuldvermindering, terwijl de economieën in het Midden-Oosten aantrekken na de beëindiging van de Golfoorlog.

Het IMF, dat vaak gekritiseerd is in verband met de vermeende "hardheid' van de aanpassingsprogramma's, laat niet na om deze economisch opbloei van de ontwikkelingslanden op het conto van de economische hervormingen te schrijven. “Een kerngroep van landen, voornamelijk in Azië, is de hervormingen meer dan tien jaar geleden begonnen. De afgelopen drie à vier jaar heeft een groeiend aantal landen in alle regio's een begin gemaakt om eerdere problemen met aanpassingsprogramma's te overwinnen.”

De economische groei van de "succesvolle aanpassers' is volgens het IMF te danken aan de geslaagde inspanningen om begrotingstekorten te verminderen en inflatie te bedwingen. Verder hebben deze landen hun handel geliberaliseerd, subsidies verminderd, financiële markten opgezet, arbeidsmarkten versoepeld en staatsbedrijven geprivatiseerd. Het gevolg van deze maatregelen is dat vluchtkapitaal terugkeert en nieuwe investeringen worden aangetrokken. Dit zijn aanwijzingen dat het vertrouwen in de toekomstverwachtingen voor deze landen verbetert. De IMF-staf concludeert dat de ervaring van deze landen belangrijke lessen bevat voor andere landen die hervormingen willen doorvoeren. Voor donorlanden zou dat een stimulans moeten zijn om hulp aan succesvolle aanpassers door te zetten.