Thuis tussen Nuldernauw en Wolderwijd; Profiel van DE NIEUWE MENS

Een plak modder was het, waar de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders "een stukje Nederland' van moest maken. De Zuidelijke IJsselmeerpolders als proeftuin voor een nieuwe samenleving. En als we dan toch plannen, moeten de planologen hebben gedacht, waarom maken we er dan niet meteen de ideale maatschappij van? Met de ideale Nederlander erin.

Twee loempia's had de jongen besteld. De Vietnamese verkoper weet slechts dat hij maar voor één betaald heeft. De jongen zoekt radeloos naar steun van de andere mensen in de rij. Die kijken allen naar de grond, naar de lucht of desnoods dwars door de jongen heen naar hun eigen loempia. Niemand voelt zich geroepen om als getuige op te treden. De grote stad in bedrijf.

elystad, dat juist dit jaar de zestigduizendste bewoner heeft ingeschreven, is in de 25 jaar dat zij bestaat een middelgrote plaats gebleven - maar met een grootsteedse mentaliteit. De voertaal is Amsterdams, ruim veertig procent van de Lelystedelingen pendelt elke dag naar die stad. Het nieuwe land, zoals de Flevopolders worden genoemd, telt ruim honderdtachtigduizend inwoners, die “met één been in de Randstad staan”.

Een plak modder was het, in 1957 drooggelegd door de Dienst Zuiderzeewerken, en de planologen van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders moesten er land van maken. De ingenieurs van de landbouwuniversiteit Wageningen kregen een lege akker in de schoot geworpen, als proeftuin voor de nieuwe mens.

Het Gemeinschaftsideal, aldus prof. dr. R. Van Engelsdorp Gastelaars, hoogleraar sociale geografie aan de universiteit van Amsterdam, was het Leitmotiv bij de planning van Flevoland: het verlangen dat mensen die in elkaars nabijheid wonen, zich om elkaar bekommeren en zich met elkaar verwant voelen. Dat ideaal, weerspiegeld in de agrarisch-ambachtelijke maatschappij die Nederland eeuwen is geweest, diende in Flevoland gecombineerd met de twintigste-eeuwse idealen van goede en bereikbare voorzieningen voor de burger. “Het geloof in de maakbaarheid van de samenleving is in Nederland altijd groot geweest”, zegt Van Engelsdorp Gastelaars. “En de ingenieurs combineerden dat met een evolutionair wereldbeeld: alles zou beter worden.” Zij gingen uit van een maatschappij die al spoedig voor zichzelf zou kunnen zorgen.

De instrumenten waarover de Rijksdienst kon beschikken om de nieuwe, betere samenleving te scheppen, waren de gebouwde omgeving en de selectie van de stamvaders van de nieuwe mens. Evenwichtigheid was het toverwoord. De nieuwe mens kon zorgvuldig worden uitgebalanceerd naar religie, welstand en leeftijd. De planologen hoefden zich niet te bekommeren om inspraak van ingezetenen - die waren er niet. Wat kon er nog misgaan?

Een film van het Informatiecentrum Nieuw Land in Lelystad over de inrichting van de Flevopolders toont de planoloog dan ook als een god. Elke stip die hij op papier zet, wordt in het volgende filmbeeld als paal de grond in geheid. Twee Engelse toeristen kijken ademloos toe: “The design is now becoming reality”, horen ze. Er wordt vis uitgezet, voor als de nieuwe mens na zijn werkdag wat wil hengelen. Er staat een brievenbus, voor als de nieuwe mens een brief wil posten. Er komen gescheiden auto- en fietsniveaus zodat de kinderen van de nieuwe mens veilig kunnen oversteken en pappa ongestoord naar zijn werk kan racen.

De pappa's werden niet zomaar toegelaten in Flevoland. Boeren werden streng geselecteerd. Weliswaar werd niet meer, zoals voor de dit jaar vijftig geworden Noordoostpolder nog wel, elke plank van de linnenkast geïnspecteerd door een visitatiecommissie om te zien of men wel toegelaten kon worden tot het aardappelparadijs, maar de woningbouwverenigingen hanteerden wel inkomenscriteria en stuurden een delegatie langs bij toekomstige bewoners. Dat waren al niet meer louter de dertigduizend moderne boeren die in eerste instantie in een overwegend agrarisch Lelystad waren voorzien. Men moest rekening houden met tachtig- à honderdduizend stedelingen (in het jaar 2000) om de uit zijn voegen barstende Randstad te ontlasten. Deze mensen, die de stad op eigen benen moesten helpen staan, dienden te worden samengesmeed tot een collectief.

De omgeving had daarbij een opvoedende taak. Een "architectuurkaart' van Lelystad legt uit dat de basis van de Kempenaar, een buurtje aan de westkant van Lelystad, wordt gevormd door “nauwe woon- en speelstraatjes, bedoeld om de onderlinge communicatie in de buurt te bevorderen. "Vanachter het aanrecht' is zicht op het kinderspel buiten.”

Tussen de prei en de rode kool in zijn volkstuintje achter Swifterbant staat H. van Gijssel. Hij, Drent van geboorte, kwam in 1969 in Lelystad wonen toen zijn werkgever - een proefbedrijf voor plantveredeling - naar de polder verhuisde. De eerste jaren herinnert hij zich als een zware tijd. Dat vond de overheid ook en daarom kreeg Van Gijssel, zoals elke Flevolander, een ontberingstoeslag: “vijfduizend gulden per jaar”. Om de reiskosten te compenseren die de poldermensen moesten maken om naar een ziekenhuis te komen in Zwolle of kleren te kopen in Hilversum. En voor de dagelijkse boodschappen want “wat ze hier dorsten te vragen, loog er niet om.”

Zijn buren waren collega's van het werk. De bedrijven die naar Lelystad verhuisden, kregen een contingent woningen toegewezen voor hun werknemers. “Maar die mensen zie je de hele dag al, die hoef je in het weekeinde niet nog eens te zien.” Veel verenigingsleven was er verder nog niet, “al die jonge gezinnen waren 's avonds liever thuis.”

Ook in een nauwe woon- of speelstraat wil een mens nog zelf kiezen met wie hij omgaat. Van Gijssel kon de keus niet meer maken toen zijn buur-pioniers halverwege de jaren zeventig werden vervangen door een "vloedgolf' van stedelingen. De criteria voor vestiging in de polder werden noodgedwongen verruimd. Niet alleen uit goedhartigheid jegens de Randstad; door de recessie van de jaren zeventig was de groei van Lelystad gestagneerd. Er kwamen geen bedrijven bij, een deel van de huizen dreigde leeg te blijven. Het leverde Lelystad plots een grote hoeveelheid inwoners op uit de onderste lagen van de maatschappij.

De jonge poldergemeenschap kraakte in zijn voegen. Deze mensen waren louter "overschot' van het oude land, geen pioniers met een toekomst in de polder. Daarbij waren ze grotendeels werkloos en ze verveelden zich te pletter in een stad zonder dag- of nachtleven. Van Gijssel heeft mensen gek zien worden van de ruimte die de polder hun bood. “Die wilden het liefst kruipend weer terug naar de grote stad, maar dat kon niet.”

De nieuwkomers hadden niet de juiste mentaliteit en de jonge gemeenschap had nog onvoldoende sociale controle opgebouwd om hen in het gareel te krijgen. Dat leidde begin jaren tachtig tot alarmerende berichten over met name Lelystad. De jeugdcriminaliteit nam er sneller toe dan de bevolking - die maar niet wilde groeien naar de beoogde 80.000. Van 1722 misdrijven die de politie behandelde in 1978 tot 4184 in 1981.

Van Gijssel verhuisde eind jaren zeventig naar Swifterbant. “Hier wonen veel Noorderlingen, net als ik. In Biddinghuizen, zo'n vijftien kilometer verderop, wonen vooral mensen uit Gelderland, Overijssel, Brabant. En in Lelystad en Almere vooral Amsterdammers. Ze zoeken elkaar allemaal op.” Niet alleen naar oud-streekgenoten klitten toch bij elkaar, ook het evenwicht in welstand bleek een papieren idee. De sociale bovenlaag trok weg uit Lelystad toen er teveel van de onderlaag binnenstroomde. Zeewolde, nog maar tien jaar oud, heeft zich ontwikkeld als een willekeurig dorp in het Gooi: hier is geen sociale onderlaag.

Dat, meent Van Engelsdorp Gastelaars, hebben de planologen allemaal onderschat. Een samenleving zoekt geen evenwicht. Geen "normaal' dorp heeft ongeveer evenveel katholieken als protestanten, als neutralen - zoals de planners zich droomden en waarvoor zij in elk dorp twee kerken neerzetten. Mensen zoeken zelf uit in welke stad zij gaan wonen. “We sorteren als gekken.”

Ingenieur F. Tellegen zit in zijn woning in “de op een na oudste buurt van Lelystad”. De vlag wappert aan de stok in zijn tuin. In de lucht hangen enorme vliegers. Mevrouw Tellegen serveert schuimtaart. Lelystad viert zijn 25-jarig jubileum.

Tellegen is een van de geestelijke vaders van deze stad. Sinds 1964 was hij werkzaam bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders waar hij in 1979 afscheid nam als directeur Stedebouw en openbare werken. De kritiek van buitenaf op vergissingen in de planning weert hij af. “We gingen een stad bouwen voor mensen die nog niet wisten dat ze hier zouden komen wonen. Voor mensen van wie we nog niet wisten wie ze waren.”

De planologen gingen uit van normbesef bij de bewoners. Hij geeft een voorbeeld: De woningen bij het station zijn tamelijk donker door overhangende daken. Als je gedisciplineerd woont in zo'n ruimte, zegt Tellegen, is het knus. Als je dat niet doet verslonst de buurt, wordt het unheimlich. Zorgvuldig geplande omgeving kan ook geen wonderen verrichten met a-socialen.

“Dat verkeerde cijfers zijn aangeleverd door de sociografen”, is duidelijk geeft Tellegen toe. “Men ging ervanuit dat elke inwoner boven de achttien jaar een eigen auto zou hebben. En dus staat er nu een grote parkeergarage in het centrum vrijwel leeg.” Het ziekenhuis is gebouwd in de verwachting dat er tachtigduizend inwoners zouden komen en dus staat nu een complete verdieping leeg - John de Mol produkties huurt 'm voor Medisch Centrum West.

Ander voorbeeld: Het winkelcentrum kent verschillende niveaus. Boven de Neringpassage ligt een tweede, autovrije straat. Winkelcentrum De Waag is er gevestigd, met de Schoenenreus, koffieshop 't Tussendoortje en Rob's Knipcorner. “We hadden verwacht dat mensen daar lopend of op de fiets zouden komen winkelen. Maar die forensen halen een keer in de week op zaterdag al hun boodschappen in huis en die willen ze achterin de auto kunnen kiepen.” Nu hangen de straten 's avonds als donkere spinnen boven het centrum.

Maar de verlammende sfeer van de jaren tachtig heeft Lelystad nu afgeschud, zo verzekeren de inwoners. Burgemeester H. Gruijters van Lelystad sprak tijdens de festiviteiten ter gelegenheid van het jubileum van “een psychologisch gevoel van herademing” dat zich van zijn stad heeft meester gemaakt. De mensen zijn “op weg iets goeds te maken.” Er onstaat zowaar een gevoel Flevolander te zijn - al is er geen spoor van een Flevolands dialect, zoals een onderzoeker deze week bekendmaakte.

Wie 's ochtends vroeg langs Almere rijdt, ziet de auto's kolonnegewijs uit de woonerven optrekken, op weg naar het werk in het oude land. Ruim veertig procent van de Lelystedelingen is forens. In Almere ligt dat percentage nog hoger. Komen deze mensen, als het niet is door het carpoolen, ooit nog tot een Gemeinschaft? Commissaris der koningin in Flevoland, H. Lammers, meent van wel. Hij ziet een soort lokaal chauvinisme ontstaan. “En dat die samenleving zich heeft gevormd langs andere parameters dan die de planologen van de jaren zestig aanlegden, is van secundaire, nee tertiaire betekenis.”

Zelfs de allochtone randgroepjongere die vorige week werd ondervraagd door NCRV's Hier en Nu, antwoordde dat hij, terugkerend van een avond randgroepactiviteiten in Amsterdam, zich weer helemaal thuis wist zodra hij de brug over het Gooimeer naar Almere overstak. Thuis tussen het Nuldernauw en het Wolderwijd. Aan de door bomen omzoomde akkers van Biddinghuizen. Op de Zeebodemroute van de ANWB. In de eeuwige wind van Lelystad-haven. Aan de grachten van Almere. In straten die de Zuigerplasdreef heten, de Botweg of het Gareel.