Spetterend orkestraal genot bij Wiener Philharmoniker

Concert: Wiener Philharmoniker o.l.v. André Previn. Programma: J. Haydn: symfonie nr 92; M. Ravel: Rapsodie espagnole; R. Strauss: Ein Heldenleben. Gehoord: 26/9 Concertgebouw Amsterdam.

Het orkest van de Wiener Philharmoniker, de musici van de Wiener Staatsoper, viert dit jaar het 150-jarig bestaan en trad ter gelegenheid daarvan zaterdagavond op in een uitverkocht Amsterdams Concertgebouw. Op 250 sponsorplaatsen na was de zaal geheel bezet met publiek dat er prijzen van 100 en 150 gulden voor over had dit orkest - ooit geleid door Gustav Mahler, Richard Strauss, Wilhelm Furtwängler, Hans Knappertsbusch en Karl Böhm - te horen in een bij dit jubileum merkwaardig gekozen programma, gedirigeerd door de nogal bleke dirigent André Previn.

Tussen de Oxford-symfonie van Joseph Haydn en Ein Heldenleben van Richard Strauss - beide met verschillende redenen aan te duiden als "Weense muziek' - speelden de Wiener Philharmoniker de Rapsodie espagnole van de Fransman Maurice Ravel. Waarom hier toch geen klassieke Weners als Mozart, Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner of Mahler gespeeld door deze onvergelijkelijke Wiener? Nu leek het er vooral op dat de muziek was gekozen om ons nogmaals te overtuigen van de verbluffende technische vaardigheden van dit orkest.

Daarin slaagden de Wiener Philharmoniker en Previn inderdaad op overweldigende wijze. Strijkers, houtblazers en koper - ze zijn weergaloos, op enkele minder geslaagde hobo-noten na. Haydn klonk met een vaak per streek en frase wisselende klankkleuring, Ravel was een spetterend orkestraal genot voor het oor en het zo veeleisende Ein Heldenleben - door Strauss in ruil voor de vermelding van zijn naam op het balkon in deze Grote Zaal opgedragen aan het Concertgebouworkest en Willem Mengelberg - kreeg een fantastische uitvoering: spectaculair, verbijsterend virtuoos en briljant gespeeld met ongelooflijke prestaties van de kopergroep en fraaie soli van concertmeester Rainer Küchl.

Hier werd de uiterlijke glorie van de Wiener glimmend opgepoetst tot flonkerende schittering. Maar waar was de ziel van de muziek zelf? Niet in deze Ravel, die minder onderkoeld beter tot zijn recht komt. Niet in deze Strauss, waarin de woelingen heftiger kunnen kolken en waarvan het slotdeel Des Helden Weltflucht und Vollendung door Mengelberg etherischer en onthechter werd gespeeld. En niet in Haydn, die met zoveel verrassender ritmische tinteling kon klinken als Leonard Bernstein voor dit orkest stond en alleen maar met mimiek en schouders hoefde te dirigeren.

André Previn is wat techniek betreft een respectabel dirigent maar hij ontbeert de grote persoonlijkheid (van bij voorbeeld Carlos Kleiber) die juist de muziek bij zo'n orkest laat uitstijgen boven het op zichzelf neutrale karakter van verblindende technische perfectie. De toegift - de Delirienwalzer van Joseph Strauss - bewees hoe eenvoudig het is voor de Wiener zelf om met hun Nieuwjaarservaring Weense muziek tot waar plezier te verheffen: ze hoefden slechts op een wat lomp klinkend moment even hun voet op te lichten.