Paul Schrader verklaart de filmkunst tot museumstuk

UTRECHT, 28 SEPT. Maar heel zelden is een film die opvalt tijdens de Nederlandse Filmdagen snel te zien voor iedereen die er belangstelling voor heeft. En bijna nooit komt het voor dat een film te vroeg wordt vertoond. Maar dat gebeurde toch met Memorias sin batallas y otros muertos (Herinneringen zonder veldslagen en andere doden) van Nathalie Alonso Casale. Afgelopen zomer voltooide zij met deze film - een autobiografische cri de coeur waarin zij zoekt naar wat zij nu kan begrijpen van de ook door haar eigen grootvader uitgevochten Spaanse Burgeroorlog - haar studie aan de Nederlandse Film- en Televisie Academie in Amsterdam. Zaterdag jongstleden werd zij op voordracht van de Nederlandse filmkritiek voor deze produktie gelauwerd met de Tuschinski Award, de prijs voor de beste eindexamenfilm. Vanzelfsprekend werd haar film in Utrecht vertoond, maar al een halve week eerder was hij te zien op de Nederlandse televisie: te vroeg om optimaal te kunnen profiteren van de extra aandacht die zo'n prijs nu eenmaal trekt. Misschien wil de NOS hem nog eens herhalen - bij voorbeeld bij wijze van felicitatie. Voor Casale omdat zij de prijs won; voor zichzelf omdat men bij deze omroep blijkbaar in een vroeg stadium Casales kwaliteiten heeft herkend.

Van andere films valt te vrezen dat ze verloren zullen gaan voor een potentiëel publiek. Dat gevaar loopt Platonov bij voorbeeld. Twee maal is deze documentaire van Paula van der Oest en Birgit Hillenius tijdens de Nederlandse Filmdagen vertoond en het is onduidelijk wat er nu verder met de film zal gebeuren. Het zou jammer zijn als het lot van deze film in het vergeetboek zou liggen, al was het maar omdat de maaksters er zo'n waagstuk mee aangingen. Uitgangspunt was het door de Nederlandse theatergroep De Trust geënsceneerde Platonov, het eerste toneelstuk van Tsjechov, geschreven in de tijd dat de tsaren hadden afgedaan en men leefde in de verwachting van Het Nieuwe. Van der Oest en Hillenius vermoedden in het hedendaagse GOS een echo van de door Tsjechov opgeroepen wereld en reisden mee met een tournee van De Trust door de Baltische staten. Ze zochten naar hedendaagse pendanten uit Estland en Letland van Tsjechovs personages, maakten interviews met ze en gaven ze een plaats naast een aantal welgekozen fragmenten uit het stuk. Het gevaar van ongeoorloofde versimpeling was levensgroot, maar het lukte om werkelijkheid en toneelstuk uit elkaar te houden, om fictieve personages te behoeden voor een eigen leven en reële figuren niet te reduceren tot ledepoppen. In plaats van elkaar in de weg te zitten, tillen ze elkaar op. Zo schiepen Hillenius en Van Oest een soms ongecontroleerd en dus scheefgetrokken, maar door zijn gelaagdheid meestal boeiende impressie van wat mensen voelen, verwachten en opgeven wanneer ze een nieuw leven worden binnen geduwd. De maaksters slaagden er overigens niet in een hedendaagse Platonov te vinden: voor iemand die vragen stelt en twijfels heeft is er nu geen ruimte.

Een jaarlijks terugkerende attractie van de Nederlandse Filmdagen is de zondagse kerkgang voor de cinematografische preek die de Cinema Militans-lezing heet. Dit jaar was de Amerikaanse cineast Paul Schrader uitgenodigd om te spreken in de Pieterskerk. Onder de titel "Don't Cry For Me When I'm Gone: Motion Pictures in 1992' verklaarde hij, in een discours dat eerder modieus was dan doordacht, de filmkunst tot museumstuk. Hij eiste ruim baan voor het "digitale tijdperk', waarin de "dictatuur' van de filmregisseur zal worden vervangen door de "democratie' van de "virtual reality'. Die "latente werkelijkheid' zal van de kijker een partner maken: “een filmmaker zal de film niet regisseren, hij zal er toe aanzetten.”

Schrader weidde niet uit over de manipulatiemogelijkheden van zo'n toekomstige kunstenaar (hij is het tenslotte die de keuzes van zo'n computerprogramma samenstelt). Van de vraag of de "massa' voor wie deze vorm van artistiek amusement bedoeld zou zijn, niet liever afwacht wat er wordt geboden, dan zelf mee te werken, maakte Schrader zich met wat retoriek af: “Dat is het argument dat politieke autocraten (-) eeuwenlang hebben gegeven: de massa's willen dat wij voor hen beslissen. De autocraten hadden ongelijk in het verleden en het is niet te verwachten dat ze in de toekomst gelijk zullen krijgen.”

Voor ik Schraders lezing aanhoorde, zag ik, in het retrospectieve programma dat de Filmdagen aan zijn werk wijden, zijn indrukwekkende film Patty Hearst (1987). Ik prijs me gelukkig dat Schrader me in die film niet liet zitten met keuzes, maar zo goed was mij dat verhaal op zijn eigen onnavolgbare manier te vertellen.