Negen maanden dienen; Advies: korte dienstplicht moet blijven

DEN HAAG, 28 SEPT. De dienstplicht moet blijven, maar moet aantrekkelijker worden gemaakt. De diensttijd moet worden teruggebracht van twaalf naar negen maanden.

De omschakeling naar een beroepsleger is duur en op de arbeidsmarkt zal Defensie niet gemakkelijk personeel kunnen werven. Dit schrijft de Commissie-Meijer in een unaniem advies dat zij vanochtend aan minister Ter Beek (defensie) heeft aangeboden. Neemt Ter Beek de conclusies van de commissie over, dan zal hij de Tweede Kamer moeten overtuigen, waar een ruime meerderheid bestaat voor het geleidelijk afschaffen van de dienstplicht.

De commissie is van mening dat de dienstplicht moet blijven, ook “omdat de kans op een grootschalig conflict niet geheel mag worden uitgesloten”. Zij voorziet bij de samenstelling van een beroepsleger problemen, met name bij het werven van laaggeschoolden. Voor een beroepsleger zijn drie keer zoveel manschappen met een arbeidscontract nodig dan op dit ogenblik werkzaam zijn in het leger. De commissie betwijfelt of dat aantal wel beschikbaar is. Defensie heeft geen ervaring met het grootschalig werven van personeel.

Ook blijkt uit het onderzoek dat de grondwet moet worden gewijzigd voor afschaffing van de dienstplicht. Dit is een lange procedure. Invoering van een beroepskrijgsmacht brengt hoge kosten met zich mee. Vierhonderd miljoen gulden is gemoeid met afvloeiingsmaatregelen voor overtollig personeel en wervingscampagnes. Als vierde argument om de dienstplicht te behouden noemt de commissie het feit dat bij een beroepskrijgsmacht ingrijpende reducties nodig zijn, waarbij het mobilisabele deel (die troepen die in crisistijd in korte tijd kunnen worden opgeroepen) sterk zal worden teruggebracht.

Om de diensttijd aantrekkelijker te maken stelt de commissie voor om de 28.000 dienstplichtigen, die jaarlijks nodig zijn, verantwoordelijkheden en functies te geven die beter bij hun opleiding en capaciteiten passen en een betere aansluiting bij vervolgonderwijs mogelijk maken. Tweeduizend dienstplichtigen zullen op vrijwillige basis worden opgeleid voor vredes- en humanitaire taken. Zij zullen twaalf maanden dienen en kunnen worden uitgezonden. Gedurende die uitzending ontvangen de dienstplichtigen een beroepssalaris.

Pag 3: Kritiek op krijgsmacht

De commissie meent dat de dienstplichtige meer recht moeten hebben op privacy, na gedane arbeid naar huis moet kunnen gaan en gelegenheid moet hebben om te studeren of te sporten. Defensie zou ook meer moeten bemiddelen bij het vinden van een baan na de diensttijd en financiële hulp moeten geven bij verdere vorming.

In een toelichting vanochtend op het ministerie van Defensie had voorzitter W. Meijer van de commissie gekruide woorden voor de aanwezige generaals en admiraals. Nu Defensie gedwongen wordt meer beroepsmilitairen en langverbanders te werven, zullen de bevelhebbers er beter op moeten toezien dat het ook aantrekkelijk wordt gemaakt om bij de krijgsmachtonderdelen te gaan werken. Van Defensie als werkgever heeft de arbeidsmarkt geen hoge pet op.

Daarnaast zou de legerleiding, als het advies van de commissie wordt overgenomen en de dienstplicht gehandhaafd blijft, moeten zorgen dat de dienstplichtigen gemotiveerd zijn en blijven. “Anders blijven met het stemmingsbeeld van demotivatie, zoals door de commissie is aangetroffen, zitten. Men moet hier serieus op ingaan”, aldus Meijer. De legerleiding zou ook maatregelen moeten nemen om de "terugkeer naar de maatschappij' voor de dienstplichtigen te vergemakkelijken.

Meijer ziet niets in het geleidelijk terugbrengen van de dienstplicht. Voor een beroepsleger is een geheel andere organisatie nodig dan voor een leger van beroeps en dienstplichtigen. Bovendien is de landmacht al aan een herstructurering bezig en kunnen er niet twee modellen tegelijkertijd worden ingevoerd. “We zeggen niet dat we absoluut tegen een beroepsleger zijn of absoluut voor. We zeggen gewoon dat met dit geld en deze middelen de dienstplicht gehandhaafd dient te blijven, zij het in een aangepaste vorm zodat zij aantrekkelijker wordt.”

Volgens de commissie is de krijgsmacht niet in staat snel om te schakelen naar een beroepsleger. “Als regering en parlement niet doordachte en dus geforceerde besluiten zouden nemen dan ontstaan er binnen de krijgsmacht ontwrichtingsverschijnselen. Ook een leger dat zich zou aanpassen aan het aanbod op de arbeidsmarkt zou zijn taak niet aan kunnen. Ook dat lijkt mij heilloos”, aldus Meijer.