Loonmatiging

DE KLASSIEKE TEGENSTELLING tussen kapitaal en arbeid is vorige week in Nederland weer iets verder over de rand van de geschiedenis gedrukt. De voorzitter van de Christelijke vakcentrale (CNV), A. Westerlaken, heeft voorgesteld dat werknemers vijf jaar lang bij loononderhandelingen volstaan met koopkrachtbehoud. De verzamelde werkgevers en de minister van sociale zaken kwamen woorden tekort om deze constructieve opstelling van de CNV-voorzitter te prijzen. Als zijn plan wordt overgenomen gaat Nederland de 21ste eeuw tegemoet met verregaande loonmatiging en wordt de loonruimte die daarmee volgens Westerlaken vrijvalt, gebruikt voor verbetering van de kwaliteit van het leven, milieu en arbeid.

Op deze redenering valt veel af te dingen. De vraag is waarom collectief meer geld moet worden vrijgemaakt om de kwaliteit van het leven te verbeteren. Keuzes die de kwaliteit van het leven bepalen, behoren bij uitstek tot het terrein van de particuliere beslissingen. Als werknemers liever meer verdienen en met hun inkomsten een videorecorder of een vakantie betalen, is het niet aan de vakbeweging, aan de werkgevers of aan de overheid om zich daarover een oordeel aan te matigen.

In de tweede plaats is het probleem van Nederland niet dat de netto salarissen extreem hoog zijn. De afgelopen twintig jaar is de welvaartsstijging per hoofd van de bevolking in Nederland steeds meer achtergebleven bij de rest van Europa. Nederland is niet extreem duur, eerder goedkoop, zoals zich uit het enorme overschot op de lopende rekening laat aflezen. De knelpunten van de Nederlandse sociaal-economische verhoudingen zijn de afstand tussen het bruto en netto loon, het kleine verschil tussen uitkering en minimumloon, en de problemen van werkloosheid die zijn geconcentreerd bij specifieke groepen zoals immigranten, ongeschoolden en ouderen.

DEZE KNELPUNTEN lossen zich niet op met loonmatiging voor iedereen. Een dergelijke generieke maatregel leidt tot verstarring in plaats van versoepeling van de arbeidsmarkt. Het is een illusie te denken dat in 1992 de arbeidsvoorwaarden tot 1997 vastgelegd kunnen worden. Westerlaken wil met zijn voorstel de arbeidsmarkt vijf jaar bevriezen waar dynamiek gewenst is. Dat is onbegonnen werk.