Lachen, huilen of competitie

De mooiste reactie op mijn column over de wonderbaarlijk royale salarissen bij het GAK kwam van een verzekeringsarts, diep uit de achttienduizend koppige organisatie. “Weet u hoe het komt dat hier de directeuren meer verdienen dan een minister en de onder-directeuren meer dan een topambtenaar in Den Haag? Deze organisatie gaat uit van twee managementprincipes: (1) iedereen die leiding geeft aan artsen moet zelf meer verdienen dan de medici; (2) artsen kunnen geen leiding geven”. Toepassing van deze twee eenvoudige regels leidt er automatisch toe dat de complete bureaucratische top betaald krijgt volgens een salarisschaal die begint waar die van de medici ophoudt. De gelukkige bestuurders bovenin de ambtelijke piramide moeten dan wel meer verdienen dan ministers van de Kroon, hoewel hun werk heel wat minder enerverend en riskant lijkt.

Toepassing elders van deze twee simpele principes zou betekenen dat de directeur van het Concertgebouworkest meer zou moeten verdienen dan Jaap van Zweden. Bij de KLM zouden alle dienstenplanners en coördinatoren op het hoofdkantoor meer ontvangen dan iedere piloot van een Boeing 747. Zo luxueus is het kantoorleven niet bij orkest of luchtvaartmaatschappij. Het ministerie van WVC zal weigeren om het orkest te subsidiëren, wanneer andere symfonieorkesten uitkomen met lagere salarissen voor staf en directie. De KLM krijgt grote moeilijkheden met de aandeelhouders, wanneer die zouden ontdekken dat iedereen op het hoofdkantoor die iets te vertellen heeft over een piloot dan ook automatisch meer moet verdienen dan iedere gezagvoerder. Bij het GAK daarentegen hebben de bazen nog geen last van concurrentie en kunnen zij dus ongehinderd de twee hierboven aangehaalde management-principes ten eigen voordele consequent toepassen.

Na deze kritische opmerking over het GAK, mag ik niet aarzelen om ook de hand in eigen boezem te steken. Een uitstekende gids daarbij is het “Sociaal Jaarverslag 1991” van de Erasmus Universiteit Rotterdam dat eerder deze maand met een smaakvolle steunkleur verscheen. Het verslag gaat hoofdzakelijk over het personeelsbeleid van de Universiteit, met veel nadruk voor de kansen die de instelling heeft om verdienstelijke medewerkers extra te honoreren. In de eerste plaats kan de Universiteit aan personeelsleden een gratis cursus of opleiding aanbieden. Nu ligt het voor de hand dat nergens in de Universiteit het overweldigende aanbod in Nederland van opleidingen zo goed wordt bijgehouden als op het Centrale Bureau. Laten het nu precies de medewerkers van dat Bureau zijn die veruit het meest gebruik maken van de mogelijkheid om een gratis opleiding te volgen. Omgerekend per persoon besteedt de Universiteit bijna drie keer zoveel aan opleidingen voor de medewerkers van het Centrale Bureau als bij het personeel in de economische of medische faculteit waar het eigenlijk werk plaatsvindt van de Universiteit, namelijk onderwijs en onderzoek. De Universiteit kan gelukkig nog meer doen voor verdienstelijk personeel. In bijzondere gevallen mag ook de universiteit als overheidsinstelling sinds kort extra salaris toekennen aan unieke medewerkers die anders misschien zouden vertrekken naar het bedrijfsleven waar de salarissen hoger zijn. Ik kan me nog de circulaire herinneren waarin het Bestuur van de Universiteit uitlegde dat deze mogelijkheid inderdaad bestond, maar alleen voor heel speciale gevallen. Nadere inlichtingen waren te verkrijgen bij het Bureau van de Universiteit. Nu blijkt uit het Sociaal Jaarverslag dat - net als bij de opleidingen - de kans op zo'n extraatje het grootst is voor de ambtenaren op het Centrale Bureau van de Universiteit. Medewerkers van het Bureau van de Universiteit maken zeven maal meer kans op een extra toelage op het salaris dan medewerkers (wetenschappelijk of administratief) in de faculteiten. De centrale administratie van de Universiteit groeit niet alleen wonderbaarlijk snel ten opzichte van de Faculteiten, maar is kennelijk ook in de beste positie om de extra's voor zichzelf te claimen. Zou dat nog zo zijn bij meer concurrentie tussen de universiteiten? Ik denk dat mevrouw Kroes op het geprivatiseerde Nijenrode de financiële speelruimte liever zal willen benutten voor het aantrekken van gerenommeerde geleerden, dan voor het verwennen van de ambtenaren bij de administratie.

Voordat nu de volijverige Tweede Kamer zou overwegen om ook een parlementaire enquête in te stellen naar het financieel beheer bij de universiteiten is het misschien goed om even stil te staan bij het gemeenschappelijke in deze grappige verhalen. Het GAK heeft een monopoliepositie, want bedrijven mogen niet vrijelijk kiezen waar ze ziekte en arbeidsongeschiktheid verzekeren. Als de parlementaire enquêtecommissie komt met de aanbeveling om het monopolie van GAK en bedrijfsverenigingen te doorbreken, dan is het vlug afgelopen met de uitwassen van de bureaucratie.

De best mogelijke uitkomst van de enquête zou zijn dat dan een einde komt aan de verplichte winkelnering waar de bedrijfsverenigingen nu nog van profiteren. Volgens het huidige systeem moeten werkgevers zich verplicht aansluiten bij de éne bedrijfsvereniging in hun bedrijfstak en krijgen ze geen toestemming wanneer zij voor zichzelf of in coöperatie met andere bedrijven een concurrerende "bedrijfsvereniging' willen oprichten. Omdat individuele bedrijven geen directe stem hebben in het bestuur van de bedrijfsvereniging - dat loopt heel indirect via de landelijke organisaties van werkgevers - heeft geen enkele directeur voldoende belang om veel tijd te besteden aan het napluizen van de bureaucratie bij bedrijfsvereniging of GAK. De kern van de problemen bij de bedrijfsverenigingen is niet de herkomst van de bestuurders, maar de complete afwezigheid van keuzemogelijkheden voor de bedrijven. Daarom is vrijheid voor bedrijven waar zij zich willen verzekeren en concurrentie tussen aanbieders van verzekeringen tegen ziekte en invaliditeit veel belangrijker dan een debat of de sociale partners nu twee derden of de helft van de bestuurszetels mogen bezetten. Als de vakbeweging werkelijk zoveel expertise heeft in het uitvoeren van sociale verzekeringen, laat dat dan maar blijken in vrije concurrentie met andere aanbieders.

De Nederlandse universiteiten kunnen niet echt concurreren zolang overal het collegegeld even hoog is en het personeel een ambtelijke aanstelling heeft. Als ik collega's spreek van privé-universiteiten in Amerika, zijn ze altijd verbaasd over de enorme omvang van de centrale bureaucratie in Nederland en over de starre beloningsschalen voor het personeel in de faculteiten. Een privé universiteit verspilt geen geld aan een ambtelijke beleidsmedewerker die zelf Middeleeuwse geschiedenis heeft gestudeerd en nu een onderzoeksplan voor de economie of de kindergeneeskunde gaat opstellen: aanleiding voor veel koffiedrinken in het ambtelijk circuit, maar zinloos voor degenen die zelf het onderzoek doen.

Wie niet kan lachen, maar ook niet wil huilen over deze ambtelijke folklore moet pleiten voor de frisse wind van de concurrentie. Bij Unilever, Heineken of Nutricia is geen toezicht nodig op salarissen en extraatjes, want de concurrentie zorgt wel voor efficiënt gebruik van geld en middelen. De tucht van de markt is strenger dan iedere denkbare Toezichtkamer.

    • E.J. Bomhoff