Wankele hoop op nieuwe Europese Gouden Eeuw

De hoop op een nieuwe Gouden Eeuw in Europa verdampt onder invloed van recessie, monetaire chaos en twijfels over de eenwording van Europa. Op termijn zien deskundigen Europa toch een nieuwe wereldmacht worden. Mits de EG echt één wordt.

Het Amerikaanse blad Fortune waarschuwde er vorig jaar nog voor, en ook Forbes en Business Week wezen hun lezers op de nieuwe dreiging: "Pas op, Amerika, de jaren negentig worden het tijdperk van Europa'. De versnelling van de Europese integratie, toen nog in volle gang, creëerde na Japan een nieuwe, machtige concurrent voor de Amerikaanse economie. De voortekenen voor de Europese renaissance waren niet slecht. "1992' was een gevleugelde term, Europa een felbegeerd afzetgebied met 320 miljoen inwoners en aan haar oostgrens een ontluikende markt met nog eens honderden miljoenen consumenten.

Hoewel het door Brussel geschreven Cecchini-rapport over de economische effecten van de Europese interne markt al snel werd afgedaan als te rooskleurig, waren de meeste Europese economen het er in 1990 nog roerend over eens: misschien zou zich aanvankelijk een kleine economische dip voordoen, maar daarna werden de jaren negentig een periode van relatief hoge en constante economische groei in de EG.

Sindsdien is het optimisme over de lancering van de Europese economie in de jaren negentig geleidelijk verdwenen. Hoewel er geen tekenen zijn die wijzen op een naderende Europese recessie, zullen de lidstaten van de Europese Gemeenschap op zijn minst rekening moeten houden met een ernstige vertraging van de groei. De Europese economie verkeert in een wankele staat. De Britse economie maakt nu al twee jaar een recessie door die “de ergste sinds de jaren dertig” wordt genoemd. Spanje moest deze week de groeiprognoses drastisch terugschroeven. Met het omvangrijke bezuinigingpakket dat de Italiaanse premier Amato deze maand voorstelde om de overheidsfinanciën te saneren, versombert het toekomstbeeld van de Italiaanse economie. Duitsland moet rekening houden met een forse groeivertraging als gevolg van het strakke monetaire beleid van de Bundesbank. Volgens sommige analisten kan die groeivertraging omslaan in een recessie. Aan de rand van Europa kondigde de recessie zich in Noorwegen, Finland en vooral Zweden zich deze zomer aan. De hoop op het spoedig aanbreken van de Europese Gouden Eeuw is dit jaar vrijwel verdampt. Het voorland, de monetaire unie, ligt na de gebeurtenissen van deze maand ver weg.

Recente groeicijfers en prognoses voor de EG zijn niet onverdeeld gunstig. Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) verlaagde deze maand zijn groeiprognose voor de industriële landen opnieuw; tot 1,7 procent voor dit jaar en 2,9 procent voor 1993.

De groei in de EG blijft volgens het IMF met 1,4 procent in 1992 en 2,3 in 1993 achter bij de rest van de industriële wereld. De VS mogen dit jaar rekenen op 1,9 procent groei en volgend jaar op 3,1 procent. Voor Japan komt de groei uit op 2,0 en 3,8 procent.

Een belangrijke graadmeter voor de stagnatie van de Europese economie is de voortdurend stijgende werkloosheid in de EG, die dit jaar uitkomt op 10 procent. In Japan bedraagt ze iets meer dan 2 procent; in de VS ruim 7 procent. Vooral in de EG zijn relatief veel langdurige en jeugdige werklozen. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling sprak afgelopen zomer van structurele oorzaken: een starre arbeidsmarkt, weinig flexibele beloningsstructuren en te flauwe impulsen voor omscholing.

De scheidende Europees commissaris Vasso Papandreou (sociale zaken) bestempelde de werkloosheid in de Gemeenschap onlangs als “het centrale probleem in de jaren negentig.” Het leger van ruim 14 miljoen Europese werklozen vormt niet alleen een sociaal probleem, maar ondermijnt ook het toch al tanende geloof van de burgers in de Europese Gemeenschap. Volgens Papandreou zou de EG daarom minder naar de macro-economische criteria (overheidstekort, inflatie, rente) moeten kijken, waarover in kader van de Europese Monetaire Unie (EMU) afspraken zijn gemaakt. Of de Griekse commissaris er, na de monetaire chaos, nog zo over denkt, is onbekend. Haar uitlatingen illustreren in elk geval de moeilijke positie waarin de EG verkeert. Als haar advies wordt opgevolgd, zou het wantrouwen van de financiële markten in een aantal Europese valuta verder afnemen. Met als gevolg een nog grotere monetaire chaos.

Pag 14: Europa kampt met rente, inflatie en Duitsland; Overgangsperiodes zijn per definitie moeilijk'; "Een Duitse recessie trekt de gehele EG met zich mee'

Volgens de meeste waarnemers kampt Europa op dit moment met dré centrale problemen. Allereerst is er de groeivertragende hoge rentestand. Die is deels te wijten aan de relatief hoge Duitse rente, die door de sterke Duitse mark aan vrijwel alle overgebleven leden van het Europees Monetair Stelsel wordt opgelegd. Maar, zo verzekert Giles Keating, strategisch econoom van Credit Suisse First Boston, ook zonder deel uit te maken van het EMS, zullen de EG-landen de rente hoog moeten houden. Anders holt de opkomende inflatie de waarde van de nationale munt verder uit.

Een goed voorbeeld hiervan is het Verenigd Koninkrijk. De Amerikaanse bank Goldman Sachs rekende deze week voor dat premier Major op termijn alleen een Britse economische groei van 3,5 procent kan bereiken met een renteverlaging tot 7 procent. Maar dat zou leiden tot ruim 10 procent inflatie. Wanneer deze geldontwaarding langere tijd ruim boven het EG-gemiddelde ligt, dan is verdere daling van het pond sterling onvermijdelijk, aldus Goldman Sachs. Alleen een substantiële verlaging van de Duitse rente maakt werkelijk verschil voor de economische groei van Duitsland en de overige EG-landen.

Duitsland zelf wordt gezien als de tweede grote bedreiging voor de Europese economische vooruitzichten. David Roche, strateeg van de effectenbank Morgan Stanley, meent dat het krappe, anti-inflatoire, monetaire beleid van de Bundesbank het gevaar voor een Duitse recessie de laatste maanden dichterbij heeft gebracht. De economie van de ex-DDR luistert volgens hem nauwelijks naar de miljardeninvesteringen door het Westen. De lonen worden snel gelijkgetrokken met die in het voormalige West-Duitsland, terwijl de arbeidsproduktiviteit ongeveer de helft bedraagt. De groeiende werkloosheid is volgens Roche veel groter dan de 6,7 procent die uit officiële Duitse cijfers blijkt. “Als Duitsland in een recessie terecht komt, trekt het de gehele EG met zich mee”, voorspelt hij. “De ironie wil echter dat Duitsland zelf van die recessie de minste last zal hebben.”

Het derde obstakel is de - althans relatief - hoge inflatie in Europa. Japan heeft een inflatie van 1,7 procent, de Verenigde Staten 3,2 procent, het EG-gemiddelde is nu 3,8 procent. De hoge Europese rentestand heeft daar alles mee te maken, maar Roche signaleert een diepere oorzaak. “Morgan Stanley heeft berekend dat de dienstensector voor 2 procent van de Europese inflatie verantwoordelijk is. Openbaar vervoer, bankdiensten, verzekeringspolissen, en vooral overheidsdiensten zijn het afgelopen jaar duurder geworden.” Volgens Roche zijn de excessieve prijsstijgingen grotendeels het gevolg van het feit dat juist in de dienstensector de Europese interne markt het minst is gevorderd. “Probeer in Duitsland maar eens een verzekeringsmaatschappij op te zetten. Ook de retail-banksector zit in de EG-landen nog steeds potdicht voor buitenlandse bedrijven.”

Een versterking van de Europese interne markt op het gebied van diensten heeft volgens Roche direct positief effect op de concurrentieverhoudingen, en daarmee op de prijsvorming. “Alleen zo'n ingreep kan de inflatie structureel naar beneden brengen, en daarmee de rentestand.”

Wat is temidden van de monetaire chaos nog het perspectief voor de "echte' economieën in de EG? De Amerikaanse econoom Wassily Leontieff, die zich in zijn beroemde input-output analyse vooral met de reële (niet-monetaire) economie bezighield, is niet zo pessimistisch. Volgens hem zal Europa zich snel herstellen als de instabiliteit voorbij is. “De chaos op de valutamarkten is geen ziekte, maar een symptoom van economisch wanbeleid. Het is een soort shock-therapie voor de Westerse economie die tot nadenken zal stemmen”, zegt de 86-jarige Nobelprijswinnaar, deze week voor een congres in Groningen.

Het negatiefste geluid komt van de Britse hoogleraar Kenneth Minogue (London School of Economics). “Het uiteenvallen van het Europees Monetair Stelsel is een aardbeving die een "brontosaurus-effect' heeft. De schok begint bij de staart en moet het hoofd nog bereiken.” Maar aan de onafhankelijkheid van Minogue's oordeel kan worden getwijfeld; hij is ook voorzitter van de sterk anti-federale "Brugge-groep' in Groot-Brittannië.

Van economische coördinatie op wereldschaal hoeft de Europese Gemeenschap niets te verwachten. De verklaring die de zeven belangrijkste industrielanden (G-7) deze week in Washington uitgaven, viel vooral op door nietszeggendheid. De grote economische blokken hebben het te druk met zichzelf. In de Verenigde Staten staan verkiezingen voor de deur. Bij de huidige, door (kandidaat-)president Bush zo gewenste lage rente (die economisch herstel moet inluiden) blijft het verschil met de Duitse rentevoet groot. Dat is een bron voor monetaire instabiliteit.

Bovendien blijft het economisch herstel in de Verenigde Staten zo aarzelend, dat er geen impuls op de rest van de wereld van uitgaat. Een groot verschil met het begin van de jaren tachtig toen de "Reagonomics' de bestedingen aanzwengelden. Door tekorten op overheidsbudget en betalingsbalans zijn er momenteel veel te weinig besparingen om de investeringen een forse injectie te geven. Japan stimuleert weliswaar, maar het land moet zich nog herstellen van de klappen die de financiële sector door de speculatieve "bubble' kreeg.

Europa is dus geheel op zichzelf aangewezen. En dat in periode dat de Gemeenschap voor drie ingrijpende veranderingen staat: in 1993 vallen de binnengrenzen weg; andere landen kloppen op de deur in Brussel; en, ondanks alles, het proces van monetaire eenwording. Volgens de Italiaanse hoogleraar Pier Carlo Padoan (Universiteit van Rome en Europees College in Brugge) loopt de uitwerking van die "schokken' op de verschillende EG-lidstaten nogal uiteen. Dat kan de interne spanningen de komende jaren opvoeren.

Volgens Padoan heeft het economisch toch al sterke Duitsland het meeste baat bij uitbreiding van de EG-markt, terwijl een zwak land als Italië veel slechter af is. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de industriële structuur van de landen. Padoan: “Duitsland heeft, mede door de omvang van de eigen markt, grootschalige industrieën, zoals elektronica en auto's, waarin veel wetenschappelijke kennis wordt gestopt. Italië is nog sterk georiënteerd op beschermde en traditionele sectoren, zoals de textiel. Het heeft zich hierin door de weinig flexibele industriële structuur zelfs verder gespecialiseerd. Dat betekent dat het zware concurrentie krijgt als de EG de banden met de Oosteuropese landen aanhaalt. Voor Duitsland ontstaat door de grote comparatieve voordelen van de nationale industrie juist een nieuwe markt.” Ook Frankrijk heeft volgens Padoan een redelijke uitgangspositie.

Groot-Brittannië zal door een verouderde kapitaalgoederenvoorraad scherpe concurrentie ondervinden als binnenkort de Europese markt met de EVA-landen (onder meer Scandinavië, Zwitserland en Oostenrijk) wordt uitgebreid. Spanje zou het volgens Padoan beter doen, omdat het verder is met de vernieuwing van zijn industriële apparaat.

De institutionele "schokken' zorgen volgens Padoan voor “cumulatieve druk” op de zuidelijke EG-landen. Bij een geloofwaardige deelname aan een monetaire unie door deze landen, eenzijdig georiënteerd op traditionele sectoren, kunnen hun munten overgewaardeerd raken. Ze krijgen het dan nog moeilijker op de exportmarkt. Padoans conclusie dat Europa in de aanloop naar deze "schokken' sterk leiderschap nodig heeft, mag onder de huidige omstandigheden wat wrang heten.

Met de toeneming van de centrifugale krachten komt ook de monetaire unie verder weg te liggen, zoals de gebeurtenissen van de afgelopen weken illustreerden. Het effect ervan op de reële economie is volgens de meeste deskundigen sterk negatief. “Multinationals die hun produkten in ponden verkopen, krijgen nu ineens 15 procent minder voor hun produkten. Die verliezen moeten ze nu al incasseren. En als bedrijven hun verkoopprijzen in D-marken gaan vaststellen, moeten ze bij een appreciatie van die munt rekening houden met een verslechtering van hun concurrentiepositie”, zegt drs. F.A. von Dewall, directeur van het economisch bureau van de ING Bank. Een Europa van twee snelheden met een D-mark-zone van harde munten is volgens hem niet meer dan second best. “De EMU was niet voor niets vooral een initiatief van het internationale bedrijfsleven.” Die ene Europese markt komt er per 1 januari weliswaar, maar volgens Von Dewall zou de golf aan investeringen, fusies en acquisities die in de "Euroforie' over het continent rolde wel eens tijdelijk kunnen stokken.

Volgens Leontief valt voor Europa in de huidige periode van "transformatie' geen verbetering van de economische groei te verwachten. “Overgangsperiodes waarin iets tot stand wordt gebracht, in dit geval integratie, zijn per definitie moeilijk.”

Over de economische perspectieven voor Europa op langere termijn blijven de meeste deskundigen minder pessimistisch. Leontief meent dat Europa in elk geval de VS voorbij streeft. “De Verenigde Staten staan nog aan de top, een kwart van alle economische activiteit heeft er plaats. Dat kan veranderen als Europa volledig is geïntegreerd. Immers, de EG heeft meer inwoners dan de VS en Canada samen. Japan blijft vooral een mogendheid binnen Azië.”

Ook Von Dewall ziet Europa uiteindelijk naar de top oprukken. “De vergrote EG wordt na de eeuwwisseling toonaangevend in het krachtenveld”, zegt hij. “Meer investeringen zullen straks binnen de Europese grenzen blijven. Een land als Japan kon snel een industriële natie worden door toepassing van basistechnologieën die in de Verenigde Staten zijn ontwikkeld. Ik denk dat Japan nu zelf aan de technologische grens staat. De Amerikanen hebben geen geld meer om de technologische voorsprong vast te houden. Europa is dan in de positie om zich te verbeteren, dank zij de schaalvergroting door de grote Europese markt.”

Maar al te grote stelligheid is gevaarlijk. Het Centraal Planbureau (CPB) schetste eerder dit jaar in Scanning the future scenario's tot het jaar 2015. Volgens het scenario European Renaissance ontwikkelt West-Europa zich gunstig door uitbreiding van de gemeenschappelijke markt, vergaande hervorming van de welvaartsstaat en totstandkoming van een monetaire unie vóór de eeuwwisseling. De haalbaarheid van het laatste mag inmiddels twijfelachtig heten. Het is daarom goed ook acht te slaan op de negatieve variant Global shift. Hierin wordt een beeld geschetst van onvermogen en onwil om de grenzen te openen, de concurrentiekracht op te voeren en financiële steun te verlenen aan de opkomende economieën van Oost-Europa. In dat geval lijkt de Gouden Eeuw van Europa nog ver weg.

    • Maarten Schinkel
    • Hans Buddingh'