Verleidingen van de macht

De Britse minister David Mellor is gestruikeld over de cadeaubonnen en nog wat, die hij van zijn Palestijnse vriendin Mona Bauwens had aangenomen. Een typisch geval van een overmoedige young urban professional, die het eenvoudige besef van politieke zedelijkheid verloren had en de last van zijn hoge verantwoordelijkheid niet kon dragen. Een regeerder met een moderne moraal, bezweken aan de verleidingen die gelegenheidsvrienden en onbaatzuchtige anglofiele emirs voor zijn voeten hadden uitgestald. Er is weinig reden stil te staan bij de val van een ijdele lichtgewicht met een ministerssteek, die zijn koffers moet pakken omdat hij zijn integriteit niet heeft kunnen beschermen. Er is ook geen reden de neus op te trekken voor de Engelse boulevardpers die hem de das om heeft gedaan, want de bloeddorstige Sun en The People en hoe die bladen mogen heten hebben de democratie een dienst bewezen waarvoor de Britse minister-president, zijn vriend John Major, de moed niet had. Maar Mellors ontslag is wel een aanleiding voor een vergelijking van de Britse Richtlijnen voor goed gedrag van ministers met de Nederlandse richtlijnen “inzake onverenigbaarheid van belangen en functies voor ministers en staatssecretarissen”.

De Britse richtlijnen zijn veel uitvoeriger dan de Nederlandse, maar ook gedetailleerder en nauwkeuriger omschreven. Weliswaar verklaart een Nederlandse minister krachtens het voorschrift van de grondwet in zijn zuiveringseed dat hij “van niemand hoegenaamd enige beloften of geschenken aannemen zal”, maar de gevarenzone waarop die formulering doelt is niet nader omscheven of zelfs maar globaal in kaart gebracht. Artikel 126 van de Britse regeling laat zich daar duidelijker over uit: “Het is een oude gevestigde regel dat een minister of ambtenaar geen geschenken aanneemt, noch gastvrijheid of diensten accepteert van enig persoon die hem aan zich zou willen of kunnen verplichten. Datzelfde beginsel geldt indien geschenken etc. aan een lid van zijn familie worden aangeboden”.

Artikel 127 breidt de werking van dat beginsel nog verder uit: “Dit is in de eerste plaats een zaak die aan het oordeel van ministers wordt overgelaten. Maar in geval van twijfel of complicatie doet iedere minister er goed aan het oordeel van de minister-president te vragen. Dezelfde regels gelden voor het aanvaarden van geschenken afkomstig van gevers in dit land alsmede voor geschenken uit het buitenland”. Naast deze richtlijnen die vooral tot doel hebben een minister tegen zijn vrienden en zichzelf te beschermen, gelden in het Lagerhuis regels voor de registratie van belangen, die openbaarmaking van betaalde en onbetaalde nevenfuncties voorschrijven. Ook op dit punt gaat de Engelse regeling verder dan de Nederlandse.

Het verschil zit vooral in de hardheid van de voorschriften. In de Britse regelingen is de openbaarheid sterker verankerd dan in Nederland. Hier is de beveiligingsconstructie tegen opkopers van ministeriële deskundigheid betrekkelijk zwak. Nederlandse ministers die op de dag van hun aftreden benoemd worden in de directie van een bankinstelling, hebben zich veelal schuldig gemaakt aan schending van een regel die dat beoogt tegen te gaan.

Artikel 4 van de uit 1983 daterende Nederlandse regeling (sinds dat jaar heeft het politieke denken over deze materie stil gestaan) is geschreven ter bescherming van de politieke integriteit van de staat: ministers mogen tijdens hun ambtsperiode geen afspraken maken over het aanvaarden van functies na hun aftreden, een bepaling die beoogt een dijk op te werpen (vooral) tegen banken die ministers willen opkopen. “Afwijking van deze gedragsregel is slechts mogelijk in uitzonderlijke omstandigheden na goedkeuring door de minister-president”. Het gaat hier om een onafgebakend grensgebied dat door de nevelen van de vertrouwelijkheid aan de publieke controle is onttrokken. De goedkeuring van minister-presidenten is een veel te zwakke legitimatie, omdat dezen zich te vaak mede door het belang van hun partij hebben laten leiden.

Wat zegt het trouwens, dat een sollicitatie van een minister tijdens zijn ambtsperiode alleen “in uitzonderlijke omstandigheden” kan worden toegestaan, één en ander ter beoordeling van de minister-president? Dat is maar een schamele garantie voor de zuiverheid. Op die smalle basis dachten ook de directeuren van NMB Postbank hun privé beleggingen te kunnen rechtvaardigen. Zolang de voorzitter van de Raad van Bestuur (hun hoogste baas) ermee akkoord ging, waren zij gedekt. Maar dat wil niet zeggen dat hun "beleggingsactiviteiten' ook zedelijk gelegitimeerd waren.

Ministers die zich al voor hun aftreden verbinden aan een onderneming (en de hemel weet welke invloed dat nog op hun politiek beleid in de resterende ambtsperiode heeft) hoeven zich alleen maar tegenover de minister-president te verantwoorden. Het kan ook gebeuren dat ze het vergeten te melden. De regeling kent op dat punt geen streng voorschrift: ministers worden daarvan op de hoogte gebracht tijdens de kabinetsformatie, in een onderhoud met de formateur. Als de kwestie tegen de tijd van hun aftreden, soms drie of vier jaar later, actueel wordt, moeten ze zich dat maar herinneren. “De formateur deelt voorts aan de kandidaat mee dat het goed gebruik is bij het aanvaarden van functies na de ambtsperiode met betrekking tot het moment waarop zulks gebeurt rekening te houden met de noodzaak dat door anderen onzuiver handelen niet aannemelijk gemaakt kan worden”. De meeste ministers zullen die formulering niet eens begrijpen, maar ze hoeven zich er ook niet echt druk om te maken, omdat ze wel weten dat op een vergrijp tegen "het goed gebruik' geen gevangenisstraf staat.

De Nederlandse richtlijnen stammen nog uit de tijd waarin het kwaad dat David Mellor te gronde heeft gericht, niet geacht werd in Nederland te bestaan. Nu de wereld ook Nederland heeft ingehaald, wordt het tijd ook de Nederlandse regels te verscherpen. Vorige week heb ik een paar voorbeelden gegeven: bij een verdergaande vervlechting van de relatie tussen overheid en bedrijfsleven is het zaak de integriteit van het overheidsdomein verder af te bakenen en nieuwe regels te formuleren die het onafhankelijk oordeel van ministers en ambtenaren versterken.

De overheid kan een voorbeeld nemen aan tal van particuliere bedrijven die zonder preutsheid hun personeel voor corruptie waarschuwen. De Nederlandse divisie van het ICI-concern was een jaar of tien geleden al zo voortvarend interne richtlijnen uit te geven waarin de medewerkers werden gewaarschuwd tegen “de gevolgen van onethisch handelen en van het onverenigbaar zijn van bepaalde handelingen met de functie van de medewerker bij ICI Holland”. De waarschuwingen betroffen onder meer situaties waarin “de onafhankelijke positie van de medewerker ten opzichte van zakenrelaties in gevaar wordt gebracht”. Goede richtlijnen moeten beginnen met de onderkenning van het probleem.