Universiteit moet schoolser

Als wetenschapper hoor je niet te zeggen dat je uit interesse naar een congres gaat. Je gaat erheen om "nog eens wat mensen te zien'. Bij wijze van ritueel woont de congresbezoeker enkele lezingen bij met een superieure verveeldheid, de inhoud leest hij nog wel eens na.

Gezegd moet worden dat de gemiddelde inleider het de goedwillende luisteraar niet gemakkelijk maakt: de Engelse uitdrukking "to read a paper' wordt wel zeer letterlijk opgevat als een stuk wordt voorgelezen dat onversneden in een tijdschrift kan: zelfs noten en literatuurverwijzingen worden het confuse publiek niet bespaard. De lange schrijfzinnen worden veelal met verkeerde intonatie voorgelezen; af en toe lijkt de spreker zich te verbazen over zijn eigen gedachten. Ook het gebruik van media is geen garantie voor kwaliteit. Lichtbeelden blijven vele minuten staan, terwijl de spreker het over alles heeft behalve over het getoonde beeld. Een overheadtransparant is simpel een kopie van een getypte tekst, dus veel te klein om te lezen. Er ontstaan dan surrealistische taferelen, waarbij de inleider vertelt wat de toeschouwers hadden kunnen zien als ze hadden kunnen zien.

Het betoog wordt doorspekt met excuserende uitdrukkingen als "het zou te ver voeren', "helaas ontbreekt de tijd om . . .' en andere vormen van geestelijke wreedheid die bij de kritische toehoorder de vraag doet opkomen: kan deze hoogleraar wel doceren? Als iemand werkelijk iets te vertellen heeft, kan hij zijn boodschap ook in vijf minuten kwijt als dat het beschikbare kader is. Het gebeurt echter maar al te vaak dat een spreker na anderhalf uur nog aan de inleiding bezig is. Ik heb diverse inaugurale redes meegemaakt waarin de hooggeleerde spreker een proeve van didactische onbekwaamheid aflegde doordat de beschikbare tijd was overschat. In nood werd het leestempo verdubbeld of werden er forse stukken overgeslagen.

Gelegenheden als de openbare les en het wetenschappelijk congres bieden een zeldzame inkijk in de doceerkeuken van collega's. Hun didactische vaardigheden zijn je alleen bekend uit roddelverhalen van studenten, die je natuurlijk niet gehoord wil hebben. Je wordt niet vrolijk van wat je waarneemt op de wetenschappelijke fancy fairs, waar geleerden hun meesterproeven afleggen. Bij zulke didactische wanprestaties is het niet verbazingwekkend dat studenten zich ontspannen met het lanceren van gevouwen vliegtuigjes in de universitaire theaters, waar het hoorcollege als goedkope onderwijsvorm weer in opmars is.

Natuurlijk ligt de oorzaak niet alleen bij gebrekkige doceervaardigheid. De moderne academie, die een "universiteit voor velen' moet zijn, herbergt talrijke lichtgewichten die zo nodig doctorandus moeten worden. Ze weten niet dat ze het al zijn: tenslotte betekent die Latijnachtige term "iemand die doctor kan/mag worden'. Iedere baby heeft die potentie; reeds op het geboortekaartje kan de waardigheid worden vermeld. Onder de vijftien miljoen Nederlandse doctorandi moeten echter alleen zij naar de instellingen voor onderzoek en onderwijs komen die genoeg geestelijke bagage hebben: tegen de huidige proliferatie kan alleen een verzwaring van de eindexameneisen of een universitair toelatingsexamen een dam opwerpen.

De universiteit van haar kant moet eindelijk eens in de goede zin van het woord schools worden, met tutors en veel nagekeken huiswerk (dat we natuurlijk "papers' noemen). Het academische taalgebruik is onthullend voor de heersende waarden. Men spreekt klagelijk van onderwijslast, maar fier van recht op onderzoek. Ondanks alle vrome betuigingen van het tegendeel, wordt onderwijs ervaren als een noodzakelijk kwaad. Scoren kun je als universitair docent alleen met onderzoek. Tja, kreeg een collega van mij te horen toen hij vroeg waarom hem de functie van universitair hoofddocent niet werd toegekend, dan had je maar niet zoveel energie in je onderwijs en de studentenbegeleiding moeten steken. Als het er echt op aan komt, beloont de universiteit "autistisch' gedrag met promotie. Degenen die zo gek zijn geweest veel werk te maken van het onderwijs, hebben het nakijken.

In de dagen van olim had iedere universitaire docent "schoolgegaan'. Hij had eerst jaren lesgegeven op een middelbare school en wist wat interactie in het onderwijs betekende. Nu is het een dodelijke belediging als van een universitaire docent wordt gezegd dat hij een echte leraar is. De moderne universiteit zet talentvolle jongelieden op kamertjes aan het schrijven van hun proefschrift. Is het een wonder dat zij weinig gevoel ontwikkelen voor wat er in lerenden omgaat? Als verse docenten worden zij bij voorkeur belast met eerstejaarcolleges. De interessante stof van de doctorale jaren reserveren de gevestigde docenten voor zichzelf. Daaraan is nog enige eer te behalen, terwijl juist voor inleidende synthese echt overzicht van een vakgebied nodig is.

In plaats van de didactische bekwaamheden die vacature-advertenties obligaat vermelden, moet er een eenvoudige, harde benoemingseis komen: iedereen die op een instelling voor hoger onderwijs doceert, moet minimaal vijf jaar voor de klas hebben gestaan.