Sancties treffen Servië en Montenegro keihard; Gebrek aan energie en onderdelen dwingen veel bedrijven tot sluiten

BELGRADO, 26 SEPT. Zo op het oog lijkt het economisch effect van de internationale sancties tegen Servië en Montenegro beperkt tot automobilisten die etmalen lang in de rij staan voor de benzinepomp en een uitgebreide zwarte markt voor sigaretten, omdat papier en filters niet meer uit het binnenland worden ingevoerd. Maar schijn bedriegt, aldus binnen- en buitenlandse waarnemers in Belgrado: de sancties treffen de economie van Servië en Montenegro keihard.

Veel nieuwe werkloosheid blijft verborgen achter formules als "verplichte vakantie', met uitbetaling van zestig procent loon die voor wat de staatssector betreft veelal direct van de bankbiljettenpers komt. Tekort aan energie zal de komende wintermaanden tot verregaande ontwrichting leiden. Het effect van de sancties lijkt bovendien van lange duur en structureel. De Joegoslavische economie had meer dan die van welk Oosteuropees land ook de aansluiting bij de wereldhandel en de internationale markten gevonden, maar Servië en Montenegro lijken nu voor langere tijd de aansluiting bij de zich snel veranderende handelsstromen met dit deel van de wereld te missen. Bovendien vormen de sancties een dekmantel voor de Servische regering van president Slobodan Milosevic, om uit zucht naar machtsbehoud een al langer bestaande neiging tot terugkeer naar de centraal geleide economie uit te voeren.

De teruggang in de Joegoslavische economie begon vorig jaar al, nog voor de oorlog. Toen nog was er met name West-Europa alles aan gelegen de modernste economie van Oost-Europa niet ten onder te laten gaan, het hervormingsstreven van de federale premier Ante Markovic te steunen en Joegoslavië als een levensvatbare eenheid bijeen te houden. De EG had zich bereid verklaard tot de verstrekking in 1991 van een lening van 730 miljoen ecu over vijf jaar, voornamelijk ter versterking van de infrastructuur. In mei kwam daarbij nog eens een aanvullend plan van 4,5 miljard ecu, met name ter ondersteuning van de convertibiliteit van de Joegoslavische dinar. Het contrast met het internationaal isolement van Servië en Montenegro nu had niet groter kunnen zijn.

Centraal in de sanctiestrategie staan de verwachte energietekorten. Nadat het gat in het olie-embargo, dat volgens deskundige bronnen alhier vooral bestond uit Griekse olieëxport richting Servië, de afgelopen maand goeddeels gedicht was, zijn die tekorten onmiddellijk nijpend geworden. Weliswaar kan Servië door eigen oliewinning in principe voor een kwart in zijn eigen energiebehoefte voorzien, maar de olieraffinaderij in Novi Sad is al gesloten en die in Pancevo werkt nog maar voor tien procent als gevolg van de onmogelijkheid nog langer reserve-onderdelen en chemicaliën in te voeren.

Servië was een exporteur van electriciteit, maar de hier bestaande capaciteit is niet voldoende om de verwachte verschuivingen in de binnenlandse vraag op te vangen. De kolen voor de electriciteitscentrales kwamen bovendien voornamelijk uit Rusland en thans onbereikbare kolenmijnen in Bosnië.

Veel industrie moest vorig jaar al de poorten sluiten door gebrek aan aanvoer uit andere deelrepublieken. Energietekorten en gebrek aan exportmogelijkheden leiden nu tot verdere bedrijfssluitingen. Een vertrouwelijk EG-rapport zegt dat op een werkende bevolking in de industrie van 3,2 miljoen mensen er eind mei al 750.000 zonder werk waren, dat daar eind augustus nog eens 300.000 "op vakantie' bijkwamen en dat voor eind oktober het leger feitelijke werklozen met nog eens 600.000 zal groeien.

De Servische overheid brengt graag naar voren dat Servië als voormalig voedselexporteur niet voor voedsel hoeft te vrezen. Maar ook op dit gebied zijn er omineuze ontwikkelingen. In de Vojvodina, met zijn omvangrijke landbouwgebieden, hebben veel bedrijven van het oogsten van mais afgezien. Behalve het ontbreken van brandstof voor tractoren en dergelijke spelen hier ook de door de regering ingestelde prijsbeperkingen een rol. Veel landbouwbedrijven hebben er ook van afgezien voor volgend jaar te zaaien.

De voornaamste bron van inkomsten voor de overheid is, bij het teruglopen van belastingopbrengsten, nog de inflatoire bankbiljetten-emissie. Dat was in Servië en Montenegro vorig jaar al zo: zeventig procent van de kosten van het Joegoslavische leger (dat goed was voor zeventig procent van de staatsuitgaven) werd toen met de bankbiljettenpers bekostigd, aldus Westerse berekeningen. Een geldhervorming heeft de maandelijkse inflatie deze zomer van ongeveer negentig procent per maand tot ongeveer zeventig procent teruggedrongen, maar wellicht betreft het hier een tijdelijk verschijnsel, omdat voedsel 's zomers altijd goedkoper is. Inflatiebeperkend werkt het gebrek aan bankbiljetten: de controle over de bankbiljettenpers is één van de punten van conflict tussen de Servische regering en de federale premier Milan Panic.

De sancties hebben een eind gemaakt aan de aflossing van en de betaling van rente op de buitenlandse schulden van Servië en Montenegro, die eind vorig jaar respectievelijk 4,5 en 0,5 miljard dollar bedroeg - naar internationale maatstaven geen schokkende bedragen. Opvallend is dat beide republieken, wegens de pretentie dat hun "Derde Joegoslavië' de rechtsopvolger van de oude "Socialistische Federale Republiek Joegoslavië' was (waarvan ook Slovenië, Kroatië, Bosnië-Herzegovina en Macedonië uitmaakten) tot ongeveer mei ook de schuldverplichtingen van de oude federale overheid zijn nagekomen. Die schuld bedroeg eind vorig jaar ongeveer drie miljard dollar. Dit alles bij een relatief geringe nationale reserve van ongeveer 1,3 miljard dollar. Het uitblijven van erkenning voor het nieuwe Joegoslavië en de sancties en de verbreking van al het bankverkeer hebben inmiddels aan de nakoming van kredietverplichtingen een eind gemaakt.

De eerste slachtoffers van de economische sancties zijn de "zwakke groepen' in de samenleving, waarbij gedacht kan worden aan het half miljoen improductieve vluchtelingen dat Servië binnen zijn grenzen telt. Acuut zijn de problemen in de gezondheidszorg, waar medische apparatuur en medicijnen, ofschoon van de sancties uitgesloten, door valutagebrek niet worden ingevoerd. Medicijnen worden in eigen land nauwelijks meer geproduceerd, omdat de daarvoor benodigde chemicaliën wel onder het handelsembargo vallen.

Volgens Dejan Popovic, hoogleraar overheidsfinanciën aan de universiteit van Belgrado, vormen de ontberingen een welkome dekmantel voor de Servische regering van president Milosevic en zijn ex-communistische SPS, het eerdere proces van privatisering te vervangen door een terugkeer naar de centraal geleide economie. “Dat gaat in tegen de algehele trend in Oost-Europa, maar is geheel conform de voornaamste wens van Milosevic en de zijnen, de macht tegen elke prijs in handen te houden”, aldus Popovic.

Westerse deskundigen zien zich teleurgesteld in hun aanvankelijke verwachting dat sociale druk uit de maatschappij de Servische overheid tot een ander, minder agressief beleid in Bosnië-Herzegovina zou brengen. “Als de sancties effect hebben, dan vermoedelijk omdat de overheid zijn eigen plannen niet meer kan uitvoeren”, denkt een diplomaat in Belgrado. “De Serviërs schijnen er betrekkelijk welgemoed het beste van te maken.”

Of Servië en Montenegro na een eventuele beëindiging van de sancties opnieuw op Westerse steun kunnen rekenen, is uiterst onzeker. De situatie is er niet naar de Servische leiders op dit moment een snoepje voor te houden, aldus diplomaten. Bovendien neemt het aantal steunverzoeken uit andere Oosteuropese landen steeds verder toe.