Niet altijd Pavlov

CNV-voorzitter Westerlaken mag zich verheugen over de opmerkelijk positieve reacties die zijn gisteren geopenbaarde plan om de komende vijf jaar te volstaan met behoud van koopkracht in ruil voor verbetering van de kwaliteit van leven, milieu en arbeid heeft uitgelokt. “Onverwacht” en “verrassend” kreeg Westerlaken te horen en die geluiden steken af bij het gebruikelijke vraag- en antwoordspel dat werknemers en -gevers spelen.

Deze week nog moest de Industriebond FNV een moedige salto bekopen met traditioneel cynisme van werkgeverszijde, toen de bond zijn CAO-plannen voor volgend jaar lanceerde. “Onrealistisch en gevaarlijk”, mopperden FME (metalektro) en AWV (industrie) meteen.

De FNV-bond, de grootste in de marktsector, sloeg deze week voorzichtig een nieuwe koers in, die moet leiden tot meer differentiatie in de loonvorming. Dus meer variatie in het assortiment van de CAO-winkel, met minder confectie en meer maatwerk.

Dit voorstel kwam nauwelijks nog als een verrassing. Het is veeleer een logische stap in het proces van decentralisatie in het overleg over arbeidsvoorwaarden dat tien jaar geleden met het Akkoord van Wassenaar werd ingezet. Dat de vakbeweging, dezelfde Industriebond voorop, tegelijkertijd aandringt op hernieuwd centraal overleg met werkgevers en kabinet om een steviger draagvlak te creëren voor verhoging van de arbeidsparticipatie, die in Nederland relatief laag is, doet daaraan niet af.

Behalve logisch, is de koersaanpassing van de FNV-bond waarschijnlijk ook een noodzakelijke stap. Uit lijfsbehoud. In nieuwe industriële sectoren is de bond amper zichtbaar, terwijl hij in traditionele bolwerken zoals technische diensten, onder andere door de opkomst van het fenomeen "uitbesteding', danig is verzwakt. Een bond die voor zulke ontwikkelingen zijn ogen sluit, verwordt tot een loonmachine die het weldenkende deel van zijn achterban gaandeweg van zich vervreemdt.

Maar logisch en noodzakelijk is nog wat anders dan gemakkelijk. De nieuwe koers vergt immers een werkwijze die vrij radicaal afwijkt van de gangbare. De bond moet als het ware (terug) naar zijn basis in de fabrieken en bedrijven: meer leden werven, meer kader scholen en meer onderhandelaars trainen. Dat maakt de omschakeling tot een lastig en tijdrovend parcours.

In deze heroriëntatie - mogelijk bespoedigd door de actuele economische neergang - past het loslaten van een uniforme looneis voor de hele industrie, waartoe de bond deze week, zij het aarzelend, koos. Voor volgend jaar geldt de looneis van gemiddeld 4,5 procent nog slechts als "richtsnoer'.

Het illustreert dat traditionele ijkpunten, zoals "Haagse cijfers' over de ontwikkeling van prijspeil, arbeidsproduktiviteit en inkomen, geleidelijk aan betekenis inboeten. Tegelijkertijd kunnen flexibilisering en individualisering van arbeidsvoorwaarden, differentiatie in de loonvorming incluis, een impuls krijgen. De consequenties kunnen tamelijk ingrijpend zijn, want het opent de weg naar meer eigentijdse herschikking van verantwoordelijkheden. Kosten en baten van afspraken kunnen dichter bij de "gebruikers' worden verrekend (minder afwenteling). Hetzelfde geldt voor de lusten en lasten van collectieve regelingen (zoals vervroegd uittreden). Tenslotte kunnen de keuzes tussen (eigen) risico en (sociale) zekerheid aanzienlijk worden verruimd.

Op papier zijn dat allemaal zaken die werkgevers, getuige hun pleitnota's van de afgelopen jaren, zouden moeten aanspreken. Nochtans kenmerkte hun afwijzende reactie zich deze week door een hoog Pavlov-gehalte. Terwijl de bond de drempelvrees van zich afschudt, lijkt het waarachtig wel of werkgevers terugdeinzen voor het perspectief van een discussie over arbeidsvoorwaarden, waarin voor de klassieke looneis een minder prominente rol is weggelegd.

Wat de Industriebond FNV niet lukte, lukt Westerlaken misschien wel. Ook al zijn er nog “veel beren op de weg”, de reactie van de werkgevers was hoopgevend: niet altijd Pavlov.