Lopend drinken

Lopend drinken heb ik voor het eerst ergens in Amerika gezien, een jaar of tien geleden. Ook het rolschaatsend luisteren naar muziek uit de walkman. Ook het rolschaatsend luisteren en drinken. Dat, dacht ik toen, is het moderne genieten: het alles hebben wat het hier en nu kan bevatten en als een deel van het hedonistische instrumentarium het begeeft, heb je nog voldoende over om je niet helemaal ongelukkig te voelen. Met een kapotte walkman kun je schaatsend blijven drinken. Breekt een schaats dan drink je luisterend, het is als met de oude ontdekkingsreizigers: was het ingepekelde spek bedorven, dan hadden ze nog altijd de scheepsbeschuit. Het enige verschil was dat ze niet gingen ontdekken om te genieten terwijl degenen over wie ik het hierboven heb, genieten om niet te ontdekken. Of misschien is dit laatste een vooroordeel.

Het lopend drinken zie je nu overal. Deze zomer, het mooie gedeelte, waren er in Amsterdam de mensen die met een blikje in de hand en van tijd tot tijd het hoofd in de nek de bouwkunst bewonderden, in de meerderheid. Daarna ben ik nog in andere steden geweest. Overal het klok-klok dat een verscheidenheid van ander genot begeleidde. De postmoderne westerling drinkt terwijl hij loopt. ""De natuur is mooi maar je moet er iets bij te drinken hebben.'' Wie heeft dat gezegd? J.C. Bloem, geloof ik. Een avantgardistische levensopvatting. Hij heeft zich er verder niet over uitgelaten, maar ik veronderstelde dat hij niet van de natuur wilde genieten terwijl hij lopend langs de bosrand uit een blikje frisdrank dronk. Toen hij zich dat aforisme liet ontvallen was er nog geen frisdrank.

Het lopend uit een blikje of een plastic fles drinken is een behoefte die in de zomer van 1992 tot een massagewoonte is geworden. Alleen om te weten hoe het voelt heb ik het ook geprobeerd, blikje in de hand, af en toe een slok en niet - wat m'n eerdere ingeving was - daarbij even blijven stilstaan. Het is niet gemakkelijk: je verliest je blik op de komende meters en ook als je niet drinkt is dat koude blikje in je hand hinderlijk, in principe als een blokje aan je been. Voor het leeg was heb ik het rechtop in een vuilnisbak gezet. Het werd er meteen uitgevist door een zwerver die lopend verder dronk.

Waar maak je je druk over, zal een lezer denken. Op zichzelf is het ook van geen enkel belang. Het gaat me er alleen om, vast te leggen dat iedere tijd zijn eigen motoriek heeft, daarbij inbegrepen de motoriek van het genieten. Op de schilderijen van Jan Steen zie je ze met z'n allen om de tafel zitten, een beetje onderuit gezakt, een groot glas bier of een ganzekluif in de hand, lachend, met glimmende wangen. Vaak deed er een hond mee; was met de kop scheef op tafel bezig een gebraden duif te snaaien of zat al op de grond de buit op te kluiven. Steen had ook een scherpe blik voor de hondenmotoriek.

Bij Breughel zitten de tafelgenieters voorover, de handen om of in hun bord. De sfeer is er gespannen: kijken ze niet naar hun eigen kluif, dan naar die van de buurman of naar de buurman zelf om vast te stellen of die wel naar zijn eigen kluif kijkt.

De lopende drinker van 1992 kijkt niet naar andermans blikje. Vaak kijkt hij helemaal niet. De Jan Steen van 1992 zou zijn ezel op straat moeten neerzetten of in een hoekje van een MacDonald's. De schilders laten zich niet meer door feestmalen inspireren; in de film La grande bouffe eten de hoofdrolspelers zich dood.

Steeds meer mensen op straat beginnen op duiven te lijken. Een duif kijkt niet waar hij loopt maar pikt wat hij ziet.

Ik heb mijn stelling voorgelegd aan een stuk of tien mensen die veel met de mensen op straat te maken hebben: trambestuurders en taxichauffeurs. Allen vonden dat er wel iets in zat. ""Ik rem tegenwoordig even vaak voor duiven als voor mensen'', zei een chauffeur.

Ik vroeg hem waaraan hij dat toeschreef.

Hij haalde zijn schouders op. ""Ik geloof dat ze allemaal stommer worden. Het lijkt wel of ze het niets meer kan schelen. Ze denken: die chauffeur let wel op me. Het Kabinet let wel op me. In zekere zin dragen wij chauffeurs een grotere verantwoordelijkheid dan de ministers. Maar we worden niet navenant betaald''.

Daarmee had het gesprek een wending genomen die buiten het onderzoek viel. We waren waar ik wilde zijn: op de Dam. De zon scheen, op de stoep van het Paleis zaten tientallen duiven en mensen en op de steentjes liepen en lagen er nog veel meer en allen lagen, zaten of liepen te drinken en te pikken. Het was een tafereel van verbroedering, een zomerse gemeenschap van duif en mens.