Legitimiteit

"Er is privacy zonder vrijheid, zoals de eenzame opsluiting leert, maar geen vrijheid zonder privacy'. Met dit citaat van een Amerikaanse columnist besluit journalist Hans Smits een fel en gepassioneerd betoog tegen de legitimatieplicht. In Een pasje meer of minder vertelt hij hoe de meningsvorming rond dit onderwerp in de afgelopen jaren is veranderd.

Eerst was er natuurlijk de Duitse bezetting, toen alle Nederlanders te allen tijde verplicht waren een persoonsbewijs bij zich te dragen. Smits maakt die herinnering in een smartelijke passage levendig: over een man die de brave gewoonte had om iedere ochtend zijn persoonsbewijs uit zijn pyamajasje te halen en in zijn colbertzakje te steken. Op een morgen verslaapt hij zich, het pasje blijft in zijn pyamazakje. "En laat er juist die dag controle zijn...'

Veertig jaar later komt de overheid weer met het idee. In 1984 zegt de VVD-minister Korthals Altes dat "de angst voor registratie hem doet denken aan destijds de angst voor de locomotief en de auto'. De legitimatieplicht is dus, beweert de minister, een kwestie van moderniteit, die terrorisme met zich meebrengt, criminaliteit, vandalisme, fraude, misbruik van sociale voorzieningen, en natuurlijk vreemdelingen.

Stuk voor stuk ontzenuwt Smits de argumenten: heeft de legitimatieplicht de Duitse politie zo geholpen in de bestrijding van het RAF-terrorisme? Is de criminaliteit in landen met een legitimatieplicht lager dan in landen zonder zo'n plicht? De kruimeldiefjes vangt men misschien, maar de zware jongens lopen vrolijk weg met goed vervalste papieren.

Voetbalvandalisme kan beter met een gelegenheidswetje worden bestreden, zoals de banken met bankfraude hebben gedaan. En wat de "snelle identificatie' van krakers, actievoerders en anderen die zich "afwijkend gedragen' betreft: zelfs de VVD - die erg conservatief is - betwijfelt het nut daarvan: "Het is mooi dat sommige mensen hun eigen gang kunnen gaan en met burgerlijke ongehoorzaamheid een luis in de pels van de democratie kunnen vormen', zei een woordvoerder onlangs.

Het meest merkwaardige argument voor een algemene legitimatieplicht is het vreemdelingentoezicht. Vreemdelingen hebben namelijk al de plicht om zich te legitimeren, ze kunnen zelfs een maand lang worden opgesloten als ze hun paspoort niet bij zich hebben. En dat, zegt het CDA, is niet eerlijk tegenover de vreemdelingen. Bij een algemene legitimatieplicht mag de politie op straat iedereen vragen naar zijn nationaliteit. Maar gaat de politie dat ook doen? Wie wordt eerder voor vreemdeling aangezien: die blonde jongen met gezonde blosjes op de wangen of die nauwelijks verstaanbaar Nederlands stamelende Chinees van een jaar of zestig?

Hans Smits heeft gelijk als hij erop wijst dat de meeste rassenrellen in de westerse wereld juist zijn ontstaan door deze speciale bevoegdheid van de politie om vreemd-ogende burgers naar papieren te vragen. Toch denk ik dat die bevoegdheid in Nederland niet het grootste probleem is omdat die, althans tot nog toe, niet op grote schaal of op agressieve wijze wordt gebruikt. Bovendien maakt de gemiddelde allochtoon zich geen illusies over de kameraadschappelijkheid van de politie. En als de allochtonen door de staat al worden dwarsgezeten, dan zijn daar andere manieren voor: de absurde vestigingseisen bijvoorbeeld, waardoor buitenlanders nauwelijks een eigen zaakje kunnen beginnen; de steeds strengere regels om een huwelijkspartner uit het herkomstland te halen, of om kinderbijslag aan de moeder in het buitenland te laten betalen; of de verhaalplicht waarbij werkenden een deel van hun loon aan de gescheiden partner in de bijstand moeten afstaan, en het daardoor erg onaantrekkelijk wordt om voor twee jaar met iemand te trouwen om die persoon aan een Nederlands paspoort te helpen.

Het enige houdbare argument voor een algemene legitimatieplicht is een symbolische: de bevrediging van het wraakgevoel. Nederlanders zijn de afgelopen jaren in meerderheid voorstander geworden van een legitimatieplicht, schrijft Smits, "vanuit de rancune dat er profiteurs rondlopen die nodig gepakt moeten worden'. Met de legitimatieplicht wordt dus alleen de aantasting van het rechtsgevoel bestreden, zoals ook de onderzoekers van Justitie toegeven. Het helpt niks, maar de burger voelt zich beter.

Maar als we nu eens niet eindigen met de kwestie van privacy en vrijheid, waar de Amerikaanse columnist het over had, maar er juist mee beginnen; komen we dan minder emotionele argumenten voor en tegen de legitimatieplicht op het spoor? Vrijheid veronderstelt privacy, akkoord. Een mens mag door anderen niet gehinderd worden, een ieder heeft recht op een strikt persoonlijke levenssfeer. Isaiah Berlin noemde dit "negatieve vrijheid'. Als je op ieder moment door de politie kunt worden aangehouden om je pasje te laten zien wordt deze vrijheid beknot.

Maar Berlin onderscheidde ook een "positieve vrijheid': het recht om zelf te beslissen over je eigen leven. Het recht om je eigen persoonlijkheid te vormen, om kritisch, origineel, fantasierijk, zelfstandig, eigenaardig en desnoods een beetje kwaadaardig te zijn. Het recht om niet ten onder te gaan in de collectieve middelmaat, het recht dus om tenminste meer te zijn dan een sofinummer. Ook dit recht wordt op het eerste gezicht door de legitimatieplicht verkleind.

Maar de positieve vrijheid van de een hoort de negatieve vrijheid van de ander niet te beperken; in het nastreven van de individuele zelfstandigheid mag men anderen niet hinderen. Wie reguleert dat? De overheid. In toenemende mate zelfs: de moderne westerse overheid heeft allerlei bureaucratische arrangementen gecreëerd die men de Verzorgingsstaat noemt. De overheid schept als het ware de voorwaarden die ertoe leiden dat de mensen hun positieve vrijheden daadwerkelijk kunnen benutten. Als je geen onderwijs krijgt, geen medische hulp en geen opvang bij allerlei tegenslagen in het leven, heb je weinig aan de formele vrijheid om jezelf te ontplooien. In veel Derde wereldlanden bijvoorbeeld, waar de staat zich alleen bekommert om orde en rust, genieten de mensen een grote vrijheid. Maar ze kunnen er niets mee. Het is daar ongeveer zoals bij eenzame opsluiting: privacy zonder vrijheid.

De verzorgingsstaat biedt gelijke kansen, sociale mobiliteit, rechtvaardigheid, culturele keuzemogelijkheden. Zelfs als men eenzaam is of zich verveelt kan men terecht bij gesubsidieerde Riaggs en buurthuizen. Het is dan voorstelbaar dat de overheid daar ook iets voor terugverlangt: dat men niet zwartwerkt, niet zwartrijdt, gemeenschapsgoederen niet vernielt en alleen een uitkering krijgt als men er echt recht op heeft. Om zuinig om te kunnen springen met gemeenschapsgelden is de overheid gedwongen een grotere controle uit te oefenen op de burgers. Een legitimatieplicht is dan allerminst onbegrijpelijk. De negatieve vrijheid is in een verzorgingsstaat nu eenmaal kleiner, omdat de overheid zich overal mee bemoeit. Maar de positieve vrijheid is daarentegen groter: men heeft meer mogelijheden tot zelfontplooiing.

Ik lijk uit te komen op een pleidooi voor de legitimatieplicht. Maar het gekke is het tijdstip van de discussie: tegen het midden van de jaren tachtig vertelden alle bewindslieden dat de verzorgingsstaat was doorgeschoten, dat de overheid de mensen minder moest betuttelen en vaker voor zichzelf moest laten zorgen. Dat konden ze nu best: iedereen was redelijk opgeleid en men verdiende genoeg om zich tegen van alles en nog wat te verzekeren en een eigen bijdrage te leveren aan collectieve voorzieningen. De overheid kon terugtreden.

Nu de mensen geacht werden hun positieve vrijheden op eigen kracht te benutten, zou men denken dat ze hun negatieve vrijheid van non-interventie in de persoonlijke levenssfeer gedeeltelijk terug zouden krijgen. Die hadden ze indertijd opgegeven in ruil voor zorg. Maar in plaats van hun negatieve vrijheid terug te krijgen zien ze die nog verder verminderen. De terugtredende overheid is tegelijkertijd een opdringerige overheid; het vroegere vangnet voor pech en ongeluk blijkt een fuik te zijn voor toezicht en beheersing. Niet de burger, maar de staat krijgt meer vrijheid: door een legitimatieplicht op de werkplek, een grotere fouilleringsbevoegdheid van de politie, grotere bevoegdheden voor de Centrale Recherche Informatiedienst (waarvan het budget de afgelopen drie jaar is verdrievoudigd), de inrichting van een European Drugs Unit en Europol, uitgebreidere Infiltratie- en Inlichtingendiensten, een ruimere bevoegdheid om telefoons af te luisteren, richtmicrofoons te gebruiken, faxverkeer te onderscheppen, huiszoekingen te verrichten en hele groepen strafbaar te stellen.

Over enkele maanden moet de kamer zich uitspreken over een nieuw wetsvoorstel voor een "beperkte' legitimatieplicht: je bent niet verplicht het pasje bij je te hebben, maar kan dan meegenomen worden naar het bureau voor foto's, vingerafdrukken en een paar andere vernederingen. Het opmerkelijkste in dit voorstel is echter dat gekleurde Nederlanders ter plaatse moeten kunnen bewijzen dat ze inderdaad Nederlanders zijn. Voor hen is er dan een feitelijke draagplicht van het persoonsbewijs.

Met zulke wetten heeft de burger straks meer legitimiteit dan de staat zelf.