HISTORISCHE ATLASSEN

Grote Historische Provincie-Atlas 1:25.000 Noord-Holland 1849-1859 door Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 151 blz., Wolters-Noordhoff 1992, f 90,- ISBN 90 01 96844 9

Grote Historische Provincie-Atlas 1:25.000 Friesland 1853-1856 door Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 168 blz., Wolters-Noordhoff 1992, f 99,75 ISBN 90 01 96272 6

De atlashonger van de Nederlandse bevolking is blijkbaar nog niet gestild. Nadat atlasuitgever Wolters-Noordhoff de afgelopen jaren achtereenvolgens de Grote Topografische Atlas van Nederland 1:50.000, de Grote Provincie-Atlas 1:25.000, de Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000 1839-1859 op de markt bracht, is de Groningse uitgever nu begonnen met een serie Grote Historische Provincie-Atlassen op een schaal van 1:25.000. Onlangs verschenen daarvan de eerste twee delen: Noord-Holland en Friesland.

De Grote Historische Provincie-Atlassen geven de topografische situatie van 150 jaar geleden weer en sporen helemaal met de Grote Provincie-Atlassen, die de huidige toestand beschrijven. De paginanummers en gebieden die daarop zijn afgebeeld, corresponderen met elkaar (al zijn de afgebeelde gebieden niet altijd exact hetzelfde). Iedereen kan zo de situatie nu met die van 150 jaar geleden vergelijken en nagaan wat er landschappelijk gezien allemaal veranderd en gelijk gebleven is.

Honderdvijftig jaar geleden lagen de steden nog binnen de wallen; de stedelijke bebouwing van Amsterdam hield op bij de Stadhouderskade. De Watergraafsmeer en de Bijlmermeer waren nog landelijke polders. Het Noordzeekanaal moest nog gegraven worden, als een arm grijpt het IJ vanuit de Zuiderzee tot aan Beverwijk het land in. Ruigoord en De Horn liggen erin als idyllische eilanden. De Haarlemmermeer was nog niet drooggemalen, Schiphol was de naam van een klein fort aan de rand van het meer. Vanuit Utrecht en Haarlem liepen er al wel spoorlijnen naar Amsterdam, maar ze eindigden bij de stadswallen en waren nog niet op elkaar aangesloten.

Ook gebieden die nog steeds landelijk zijn, kunnen ingrijpend veranderd zijn, bijvoorbeeld door ruilverkavelingen. Een voorbeeld daarvan is het Geesterambacht ten oosten van Warmenhuizen. Daarin lagen twee kleine droogmakerijen, de Dergmeer en de Kerkmeer, de oudste in Nederland (uit 1542 en 1547). Tijdens een ruilverkaveling in de jaren zeventig zijn deze waterstaatkundige monumenten weggeëgaliseerd.

De topografische kaarten in deze atlassen waren het resultaat van de eerste systematische kartering van heel Nederland die tussen 1834 en 1859 werd uitgevoerd. Die oorspronkelijke kartering vond plaats op basis van kadasterkaarten die vanaf de Franse tijd waren ingevoerd voor heffing van grondbelasting. Die werden verkleind en samengevoegd tot basiskaarten 1:25.000. Daarmee trokken 's zomers militaire verkenners het veld in en tekenden er allerlei topografische details op in; voor benamingen wendden zij zich tot de plaatselijke bevolking. 's Morgens waren zij in het veld, 's middags inkten en kleurden ze de kaarten. Uit deze zogenaamde veldminuten werden in de wintermaanden zogenaamde ingekleurde nettekeningen samengesteld waarbij de schaal verkleind werd tot 1:50.000. Begroeiing, bodemgebruik en verkavelingspatroon waren daarop zeer gedetailleerd afgebeeld. De kaarten werden vervolgens gegraveerd in steen en in zwart-wit gedrukt. De originele ingekleurde nettekeningen, waarvan er maar één serie bestaat, worden bewaard in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en staan nu vergroot tot schaal 1:25.000 afgedrukt in de Historische Provincie-Atlassen.

Veel natuurbeschermers zijn gek op deze topografische kaarten omdat ze volgens hen de climax weergeven van de landschappelijke ontwikkeling van Nederland. De rijkdom en variatie aan wilde plant- en diersoorten en de verscheidenheid aan landschapstypen was volgens hen nooit zo groot als rond 1850 toen er een eind kwam aan een lange periode van stabiliteit, een voorwaarde voor het ontstaan van een rijke natuur en een gevarieerd landschap. De landbouw moest zich aanpassen aan de natuurlijke gesteldheid; akkers, weiden en hooilanden lagen op plaatsen waar de natuurlijke situatie met de minste moeite geschikt gemaakt kon worden voor deze gebruiksvormen; nederzettingen en wegen moesten de grillige patronen van de hogere en drogere delen volgen; industrialisatie had nog weinig verstorende invloeden; de trein was net nieuw, auto's reden er nog niet.

Volgens historisch-geograaf Hans Renes van het Wageningse Staring Centrum klopt dit beeld echter niet helemaal en hebben de natuurbeschermers zich een beetje zand in de ogen laten strooien door het prachtige beeld van de 19de-eeuwse topografische kaarten. Waar die onafzienbare heidevelden tonen, laten 15de-eeuwse kaarten volgens hem een gevarieerd landschap van heide en bos zien in verschillende stadia van degradatie.