HET ANTI-AMERIKANISME HEEFT DE TOEKOMST

Anti-Americanism. Critiques at Home and Abroad 1965-1990 door Paul Hollander 515 blz., Oxford University Press 1992, f 104,25 ISBN 0 19 503824 X

Heeft het anti-amerikanisme nog toekomst na de ineenstorting van het communisme? Ja, en het staat er misschien wel beter voor dan ooit. Verdwenen is alweer de gedachte, en zeker de hoop, dat het triomferende Amerika, als staat en als samenleving, na de overwinning in de Koude Oorlog model zou staan voor de rest van de wereld. Francis Fukuyama, die deze stelling poneerde in zijn best-seller The End of History and the Last Man, is al bijna vergeten. Door de rassenrellen in Los Angeles en de Milieutop in Rio heeft de afkeer van en verzet tegen "Amerika' weer de overhand gekregen.

Tegelijk met Fukuyama schreef Paul Hollander, hoogleraar sociologie in Massachusetts, zijn nieuwe boek, Anti-Americanism, dat de periode 1965-1990 bestrijkt. Hollander betoogt ongeveer het tegendeel van Fukuyama: ook nu het afgelopen is met de officiële Sovjet-propaganda tegen Amerika zal er geen einde komen aan het anti-amerikanisme. Boven het laatste, concluderende hoofdstuk staat een citaat uit Hilton Kramers boek Does the West still exist?: ""[...] uitgerekend op het moment in de geschiedenis waarop het Oosten de blik wendt naar het Westen en zijn beschaving ziet als model, of als belofte, of als een levensvatbaar alternatief, zien we in het Westen een situatie die simpelweg omschreven zou kunnen worden als decadentie en intellectuele burgeroorlog [...].''

Anti-amerikanisme is nooit het produkt van communistische propaganda geweest, en Amerika zou in deze "burgeroorlog' wederom het kristallisatiepunt kunnen worden van alle idealen, frustraties en "anti-gevoelens' in het hele Westen, en ook in Amerika zelf. De binnenlandse en buitenlandse kritiek op de Verenigde Staten en de Amerikaanse maatschappij zijn in wezen volgens Hollander namelijk gelijksoortig. En de laatste volgde meestal op de eerste, want geen buitenlandse criticus heeft ooit kwalen ontdekt in de VS die niet al door Amerikanen zelf waren gesignaleerd. Hollander haalt de woorden aan van de Nederlander Jan van Houten die in 1983 in de Washington Post schreef: ""De krachtigste veroordelingen van Amerika zijn van eigen makelij. In de afgelopen twintig jaar exporteerden de VS anti-amerikanisme zoals ze Coca Cola, hamburgers en "Peyton Place' exporteerden [...].''

MEELIJWEKKEND VOLK

En zo is het ook altijd geweest, in elk geval deze eeuw. In de negentiende eeuw kwam de kritiek op Amerika wèl in eerste instantie uit Europa. De Romantiek verachtte dit produkt van de Verlichting, dat bovendien het populairste was (en altijd bleef) bij de massa. De hogere klassen en intellectuelen bewonderden in Amerika eigenlijk alleen de natuur, de wildernis (Chateaubriand: ""Een meelijwekkend volk in een prachtig land''). De meeste huidige stereotypen waren, volgens Amerika-kenner J. P. W. Schulte Nordholt, al gevormd voor 1860. Het Europese anti-amerikanisme in deze eeuw - cultureel-conservatief in het Interbellum, links-politiek na de oorlog - kon voor zijn inspiratie ruimschoots putten uit oordelen van Amerikanen zelf, zoals van de conservatieve H. L. Mencken die zijn landgenoten als een ""afschuwelijk gepeupel van slaven en ganzen'' omschreef, en van de progressieve Henry Miller die Amerika in 1945 een ""Air-Conditioned Nightmare'' noemde.

De ineenstorting van het communisme heeft bij de fervente "anti-Amerikanen' geenszins het rotsvaste geloof aangetast dat de VS al sinds de stichting ervan ""racistisch, seksistisch, imperialistisch'' zijn. Voorbeeld: de vraag of Columbus gevierd moest worden als ontdekker van Amerika of gebrandmerkt als uitroeier van de Indianen. Hollander citeert, onder andere uit de New York Times en de Village Voice, oproepen om in eigen land te doen wat Gorbatsjov deed voor Oost-Europa: ""Ons ontdoen van onze eigen vormen van oppressie.''

De kritiek richt zich nu niet langer op Amerika's rol in de wereld maar op het Amerikaanse samenlevingsmodel zelf: er is geen gezamenlijke Amerikaanse cultuur en geen gezamenlijk Amerikaans burgerschap, er zijn alleen nog koppelteken-Amerikanen, Hispanic-Americans, etcetera, en dat is ook goed zo. Tegenover het traditionele idee van de smeltkroes stellen de critici nu het multi-culturalisme, een kartel van stammen, van gescheiden levende culturen en kleine collectieven. De solidariteit van links heeft zich dus overgegeven aan het separatisme, zo niet Apartheid, van de multi-culturalisten. Al lijken de progressieve intellectuelen in Europa dit argument nog niet geheel geïmporteerd te hebben - zij roepen de Joegoslaven en Tsjechoslowaken immers voortdurend op om bij elkaar te blijven - het streven om een einde te maken aan Amerika als eenheid heeft daarginds de wind mee in progressieve kring, en zou dus wel eens kunnen overwaaien. De eis van een referendum over "Maastricht' is daar een voorproefje van.

Zo zou het anti-amerikanisme een nieuwe toekomst kunnen hebben: als ideologie van separatisme en balkanisering, die dan niet meer zou corresponderen met de politieke, militaire en culturele suprematie van Amerika, maar met zijn twijfel, verlamming en verval. Aan zo'n anti-amerikanisme zou pas een einde komen als Amerika als staat en cultuureenheid uiteen is gevallen. Vandaar de rooskleurige toekomst van het anti-amerikanisme.

WOEDENDE HAMSTER

Waar komt het anti-amerikanisme uit voort, en wat is het eigenlijk? Het eerste is voor Hollander gemakkelijker uit te leggen dan het laatste, namelijk uit de vervreemding van de intellectuelen van de eigen maatschappij. De ene uiting hiervan - sympathie met verre, socialistische paradijzen - heeft Hollander, die in de jaren vijftig uit Hongarije emigreerde, onder de loep genomen in zijn Political Pelgrims (1981), de inmiddels klassieke analyse van de "Fellow Travellers' naar de Sovjet-Unie, China en Cuba. De andere uiting van deze vervreemding is het anti-amerikanisme, vaak de bron van de liefde voor het socialisme. Het is evenwel een veel minder eenduidig begrip dan Fellow Travellers. Het is een ""vaag concept met een grote verscheidenheid aan betekenissen'', zo erkent Hollander. Hij omschrijft het als irrationele vijandigheid of afkeer die zich uit veel meer bronnen voedt dan de zichtbare tekortkomingen van de Verenigde Staten. Deze ""negatieve vooringenomenheid'' acht hij ""gelijk aan racisme, seksisme en antisemitisme''.

Deze laatste omschrijving lijkt mij niet zo gelukkig, in elk geval niet scherp en origineel. De Fransen Raoul Girardet en André Glucksmann vergeleken het anti-amerikanisme jaren geleden al met antisemitisme. En de Nederlandse amerikanist Rob Kroes heeft het al eens als een ""complex van anti-gevoelens'' omschreven, bestaande uit de normale afschuw van het andere, de angst voor het mechanische en het lege, de angst voor het militair-machtige en vooral de angst dat de Amerikaanse toekomst de eigen toekomst zou worden. Anti-amerikanisme dient, aldus Kroes, dus vaak als negatieve spiegel bij het streven naar een eigen nationale identiteit door middel van culturele zelfbevestiging.

Omdat Hollander zich in zijn nieuwe boek vooral richt op de kritiek van de Amerikaan zelf op eigen maatschappij - slechts een kwart is gereserveerd voor de Derde Wereld, West-Europa, Mexico en Canada - is de uitkomst dubbelzinniger en minder overtuigend dan in zijn Political Pelgrims, waaraan de hoofdpersonen zelf en de Koude Oorlog reeds grote overtuigingskracht gaven. Na het uitstorten van bijna vijfhonderd bladzijden vol anti-Amerikaanse uitlatingen, die hij als een woedende hamster heeft verzameld van mensen uit de kringen van kerken, universiteiten, show-business, media en intelligentia, lijkt Hollander toch niet meer zo zeker van zijn zaak.

Zijn analyse van de soms pathologische haat jegens Amerika is min of meer dezelfde als in Political Pelgrims: ""Men voelt zich slachtoffer van de modernisering en verwart het Amerikaanse kapitalisme met moderniteit. De kern van hun afkeer is het leven in een seculiere, buitengewoon individualistische maatschappij die wel alle mogelijke opties en keuzen biedt, maar weinig helpt bij het geven van zin aan het leven.''

Maar in tegenstelling tot zijn vorige boek moet hij nu erkennen dat de kritiek ""niet altijd geheel irrationeel is, maar soms ook gewoon bezorgdheid''. Zeker is dat niet elk van de duizenden citaten even sterk is. Sommige zijn nuchtere, cultuur-kritische opmerkingen, waarmee Hollander het - getuige zijn, na de verdwijning van het communisme dat hem naar Amerika voerde, geschreven inleiding - bij nader inzien eigenlijk wel eens kan zijn. Hij lijkt zijn net te fijnmazig te hebben gespannen.

LUXE EN COMFORT

Niettemin is Anti-Americanism een nuttig werk, al lijkt het soms meer een haastige computer-uitdraai van zijn "Stasi-archief' over de vijanden van zijn nieuwe vaderland dan een nauwkeurig, fraai en compact geschreven boek. De periode 1965-1990 is namelijk weliswaar niet een in wezen afwijkende fase in het anti-amerikanisme, maar wel een bijzondere. De geciteerde uitspraken van sommige anti-Amerikanen overtreffen soms de halfgare oordelen over Amerika van de Fellow Travellers van weleer, de Sartres en de Russells. "Irrationeel vijandige' uitspraken als van Aids-activist Larry Kramer - ""Aids is onze Holocaust en Reagan is onze Hitler. New York City is ons Auschwitz'' - komt men in het boek op allerlei gebieden, in alle besproken landen tegen en niet inzake Vietnam en de kernbewapening, maar ook inzake het milieu, de vivisectie, de daklozen en wat al niet meer. Het zijn alle variaties op de overtuiging van de Britse auteur Jan Morris dat ""de Verenigde Staten de grootste bedreiging voor de vrede van de mensheid vormen''.

Hollander verklaart het anti-Amerikaanse gedrag in deze periode van voorspoed vooral uit het gevoel van nationale "onschendbaarheid' (nooit vreemde troepen over de vloer gehad) en van "excessieve veiligheid' op het persoonlijk vlak van met name de rijke, blanke middle-class en upper-middle-class. Waar vroeger vervreemding verbonden was met marginaliteit, kwam deze nu voort uit luxe en comfort, en dat is het merkwaardige, ja, unieke van deze periode, aldus Hollander. Voor dit type van de ""bedrogen minnaar van de American Dream'', die vol zelfbeklag en obsessie met zichzelf wat rond-avonturiert in "anti-acties', kiest hij onder meer de figuur van Cathy Boudin, lid van de Weather Underground, de "nationale bevrijdingsgroep' van een aantal blanke rijkeluiskinderen die bij het plegen van hun bankovervallen en aanslagen er altijd stilzwijgend van uit gingen dat één telefoontje naar pappa voldoende zou zijn om hen weer uit de gevangenis te halen. Cathy Boudin, dochter van een welgestelde linkse advocaat, belandde in 1981 wèl in de cel, en wel op verdenking van moord. Daar klaagde zij steen en been: het was er te warm, er was slechts één peertje van 60 Watt en toen dit na veel klagen vervangen werd door één van 135 Watt, bleek het geen kopspiegellamp te zijn, zodat er geen schaduw was in haar cel, een week lang had zij geen sla gehad en zelfs een dag geen heet water voor thee, en dat zij geen plastic breinaalden mocht hebben, dat was ""een uiterst harde strafactie''. Hollander: ""Zelfs van het zo gehate repressieve systeem werd verwacht dat het in de gevangenis alle comfort leverde als thuis in de villa.''

ZINCRISIS

Hollander concludeert dat het uitoefenen van sociale kritiek een belangrijk onderdeel is geworden van de identiteit van veel Amerikanen. Terwijl in de jaren zestig het anti-amerikanisme een ideologie was van groepen die, onder het mom van een mondiale ideologie, soms vooral thuis een plaatsje onder de zon zochten, is het nu de enige bindende factor binnen allerlei organisaties van multi-cultureel links: van de Aids-helpers, de feministen tot de dierenbeschermers. Allen hebben de buitenwereld in feite al afgeschreven. Zo passen ze steeds meer in het patroon van het in toenemende mate corporatieve politieke bestel in Amerika, en nemen zij, zoals criticus Robert S. Leiken schreef, dezelfde positie in als de gepensioneerden, de National Riflemen's Association en de telers van citrus-vruchten in Florida. Maar wel met een grotere persoonlijke wanhoop en verontwaardiging omdat hun anti-amerikanisme gevoed blijft door de frustratie over hun mislukte pogingen enige betekenis te vinden in hun eigen leven. Ook hierom staat het anti-amerikanisme er rooskleurig voor. Want deze "zincrisis' zal blijven en waarschijnlijk nog groeien, aldus Hollander, die daar zelf echter ook niet meer geheel van verstoken lijkt te zijn. Wat Christopher Lash ooit zei - de droom is in de jaren zestig uiteengespat en er is niets voor in de plaats gekomen - geldt nu evenzeer voor hen die, met hun permanente blik op het "Evil Empire', de afgelopen decennia de "American Dream door dik en dun verdedigden.