Herkansing voor "zeehondje van het zoete water'

LEEUWARDEN, 26 SEPT. In het voorjaar van 1988 werden in het Friese natuurgebied de Alde Feanen (oude venen) nog sporen van een otter gevonden. Het waren verdroogde lapjes slijm, die met de ontlasting meekomen en als "ottergeil' bekend staan. Sindsdien zijn dergelijke resten daar niet meer waargenomen. Datzelfde jaar, in september, werd op de snelweg tussen Joure en Sneek een otter doodgereden. Het moet de laatste van Friesland en zelfs van heel Nederland zijn geweest.

In hele of halve gevangenschap komt de otter hier nog wel voor. In een dichtbegroeide plas bij het Biologisch Centrum in Haren (onder Groningen) leven twee, uit Duitse dierentuinen geïmporteerde otters. Ook zijn er plannen om tien wilde exemplaren in Tsjechoslawakije te vangen en naar Nederland te transporteren. Zij moeten de kern vormen van het "otterpark' dat verrijst aan de rand van De Grote Wielen, een natuurgebied op enkele kilometers ten oosten van Leeuwarden. Het is een initiatief van de Stichting Otterstation Nederland (SON), die hiermee wil bijdragen aan een terugkeer van de otter - het "zeehondje van het zoete water' - in de Nederlandse natuur.

Deze week heerste bij Leeuwarden enig feestgedruis, want mr. Pieter van Vollenhoven was overgekomen om “de eerste officiële bouwactiviteit te verrichten”. Met een spa, hem door een als otter vermomde duiker aangereikt, stak hij een dammetje door. Daarna werd een glas alcoholvrije champagne geheven. Aqua Lutra gaat het voor publiek opengestelde park heten, naar de Latijnse naam van de otter (Lutra lutra), die als viseter aan het eind van de voedselketen staat en hoge eisen stelt aan zijn leefomgeving. Dat maakt hem tot een graadmeter voor de gezondheid van het binnenwater. Zolang de waterkwaliteit beneden peil blijft, zal de otter niet terugkeren.

Oprichter (in 1985) van de SON en directeur van het park is drs. A.W. de Jongh, die van plan is in Aqua Lutra otters te gaan fokken om ze “na voldoende milieuherstel” in het wild uit te zetten. Een gebied dat voor het uitzetten van de soort in aanmerking komt, is de Alde Faenen, een 2.500 hectare groot laagveenmoeras dat grotendeels eigendom is van de Friese vereniging voor natuurbescherming It Fryske Gea. Hier zijn de afgelopen jaren dusdanige omstandigheden geschapen, dat de otter er te zijner tijd kan terugkeren.

Een probleem is dat de Friese polders hoofdzakelijk worden gevoed door IJsselmeerwater. Dat water is afkomstig van de Rijn, die in de loop der jaren weliswaar is opgeknapt, maar nog altijd aanzienlijke hoeveelheden chemicaliën aanvoert. Chemicaliën vormen een van de grootste bedreigingen voor de otter.

Ook is er sprake van atmosferische depositie: een deel van de verontreiniging komt uit de lucht vallen. Daartegen is ook in Friesland geen kruid gewassen, wel is het op sommige plaatsen mogelijk om vervuild, "gebiedsvreemd' water te weren - en dat gebeurt bijvoorbeeld in de Alde Feanen. Bovendien zijn daar enkele delen opnieuw ingericht, om de natuurlijke variatie die er vanouds voorkwam te stimuleren. “Wij scheppen de voorwaarden, de natuur zelf moet het afmaken”, aldus directeur H. Kroes, die een terugkeer van de otter als kroon op het werk ziet.

Dat is voorlopig toekomstmuziek. Sporen van de otter in de vorm van pootafdrukken zijn nog wel in Zuid-Limburg gevonden, maar daaruit valt volgens kenners allerminst af te leiden dat de soort zich er weer gevestigd heeft. Waarschijnlijk waren het "doortrekkers' die hun prenten achterlieten. Er is een tijd geweest dat het lichtbruine roofdier, dat ruim een meter lang wordt, veel in Nederland voorkwam. Omstreeks de eeuwwisseling moeten er nog enkele duizenden hebben geleefd langs waterlopen en meren.

Nadien gaf de otterstand een grillig verloop te zien. Een schatting in 1938 leverde nog enkele honderden exemplaren op, maar drie jaar later bleek de soort praktisch verdwenen als gevolg van een ongeremde jacht op het dier. Na de oorlog kon de populatie zich enigszins herstellen, maar sinds de jaren zestig ging het als gevolg van vervuiling weer bergafwaarts. Ook het gebrek aan beschutting in ons kaler wordende landschap speelde een rol. De kans dat zich ergens in Nederland, verborgen voor de mens, nog een otter ophoudt, wordt praktisch uitgesloten.