Handel en wandel (2)

Reagerend op het artikel van Dirk Vlasblom "Handel en Wandel' over de zgn. Indonesische Studies in Nederland en wetenschappelijke samenwerking tussen Indonesië en Nederland, is het niet mijn bedoeling in te gaan op de op velerlei punten nogal ongenuanceerde en eenzijdige voorstelling van zaken. Alleen wil ik wijzen op enkele pertinente onjuistheden in de tekst.

In de eerste plaats: er wordt gesuggereerd dat aan het eind van de jaren zeventig uit bezorgdheid m.b.t. de toekomst van de Indonesische Studies door de malacus Teeuw een Conferentie in Wassenaar werd belegd en dat daaruit het Programma Indonesische Studies (PRIS) is voortgekomen. In werkelijkheid was de gang van zaken als volgt. In 1971 werd er door het bestuur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), onder voorzitterschap van de hoogleraar Indonesische talen en literatuur Teeuw, aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen een nota Wetenschappelijke Samenwerking Nederland-Indonesië op het gebied van de Indonesische Studies aangeboden. Op grond van deze nota maakte in 1974 de minister in het kader van het Cultureel Akkoord met Indonesië ruimte op zijn begroting voor de door beide landen gewenste samenwerking. In januari 1975 vond er bilateriaal overleg plaats tussen twee (a.s.) stuurgroepen, bestaande uit de meest vooraanstaande geleerden in de desbetreffende vakgebieden, waarbij een basisdocument voor samenwerking op lange termijn werd opgesteld. Dit document is aanvaard door de bewindslieden voor Onderwijs en Wetenschappen in beide landen en het PRIS dateert dan ook van 1975.

Wat in het artikel van Vlasblom genoemd wordt "de Conferentie van Wassenaar' was een in 1983 gehouden symposium aan het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) te Wassenaar, waarbij gediscussieerd werd over een door een werkgroep (voorzitter: dr. A.J. Piekaar) opgesteld rapport over de Indonesische Studies in het Nederlandse universitaire bestel en de noodzaak van versterking daarvan vanuit het oogpunt van wetenschapsbeleid. Het rapport Piekaar heeft tot gevolg gehad dat de beoefening van de Indonesische Studies aan de Nederlandse universiteiten structureel is versterkt, met inderdaad, zoals in het artikel gesteld, een concentratie in Leiden en Amsterdam.

Als gezegd wordt dat het PRIS in de eerste plaats de bedoeling had tegemoet te komen aan Indonesische behoeften op het gebied van wetenschapsontwikkeling, waarbij enerzijds oude Nederlandse bronnen toegankelijk werden gemaakt en anderzijds door Indonesiërs geschreven materiaal werd gepubliceerd, dan is daar nauwelijks het PRIS in te herkennen. Kort samengevat behelst het PRIS bilaterale wetenschappelijke samenwerking op het gebied van wetenschappelijke infrastructuur (het wederzijds toegankelijk maken van elkaars collecties in bibliotheken en archieven); op het gebied van training (evenmin een eenrichtingsverkeer; Indonesische antropologen, historici en filologen hebben postgraduate trainingsprogramma's in Nederland gevolgd, maar Nederlandse studenten volgen talencursussen Indonesisch en Javaans in Indonesië); en op het gebied van onderzoek (Indonesië en Nederland bieden elkaar onderzoeksfaciliteiten voor promovendi en voor gepromoveerde onderzoekers). De onderliggende gedachte is dat beide landen elkaar nog veel te bieden hebben: Nederland heeft een schat aan vooral historisch materiaal dat voor Indonesië van belang is en de Nederlandse Indonesianistiek zou nauwelijks toekomst hebben zonder voortdurende intensieve contacten met Indonesië en researchfaciliteiten in dat land.

Naschrift Dirk Vlasblom

Aduh! Zodra een journalist zijn teen - al of niet voorzichtig - in de academische vijver steekt, blijkt het jarenlang stilstaande water plotseling bevolkt door temperamentvolle vissen. Hoewel de auteur niet verantwoordelijk is voor de opinies van zijn zegslieden - weest U zo goed de boodschapper in leven te laten - zijn eventuele onjuistheden buiten de citaten uitsluitend te wijten aan ondergetekende. Mijn dank voor de noodzakelijke rechtzettingen.

Nergens in het gewraakte stuk valt overigens te lezen dat PRIS en/of KITLV 'specifiek Leids' zouden zijn. 'Leiden' wordt door de auteur geenszins onheus bejegend, zoals moge blijken uit zulke qualificaties als 'wereldcentrum', 'enorm kennisreservoir' en 'hoge kwaliteit'. Tenslotte wordt ingegaan op recente - interessante - innovaties in het Leidse pakket. Gaat U weer zitten, heren, ik sta aan Uw kant.

Hopelijk verheffen de briefschrijvers en hun geleerde collega's in de toekomst opnieuw hun stem, als het niet gaat om de pecunia, maar om de voorlichting van het Nederlandse publiek over het hedendaagse Indonesië.