Handel en wandel (1)

Enkele kanttekeningen bij het stuk Handel en Wandel van Dirk Vlasblom in het Zaterdags Bijvoegsel van 12 september lijken niet overbodig.

De suggestie, via citaten van professor Stokhof, dat Leiden heel sterk gericht geweest en gebleven is op bestudering van oude handschriften, en dat zijn Leidse collega's vonden en vinden dat ze zich maar moeten houden aan Malayologie, javanologie en handschriften, omdat ze daar goed in zijn, is een karikatuur van de werkelijkheid. Zelfs in de naoorlogse periode viel het contemporaine Indonesië allerminst buiten de belangstelling van de Leidse Indonesianisten, en zodra de mogelijkheden tot veldwerk zich gingen voordoen, hebben ook "Leienaren' daaraan volop deelgenomen.

Het probleem met de termen "modern' en "modernisering' is dat vaak drie gebruikswijzen van die woorden door elkaar gehaald worden. Men spreekt van moderne, in de zin van later opgekomen wetenschappen, als politicologie, demografie, economie en sociologie, tegenover traditionele als taal- en letterkunde, geschiedenis, volkenkunde, adatrecht. In die zin is Leiden zonder twijfel groot geworden dank zij de laatste soort vakken; maar dat betekent niet dat "moderne' vakken te Leiden ontbroken hebben of ontbreken, al hebben zij minder eenzijdig nadruk gekregen. Een tweede misverstand is dat die traditionele vakken in hun wijze van beoefening stilgestaan hebben en niet modern zijn: veel Leidse studies op die vanouds beoefende vakgebieden doen niet onder in moderniteit voor studies van elders in binnen- en buitenland, in de zin dat ze gebaseerd zijn op moderne lingustische en literatuurwetenschappelijke, sociologische en antropologische, kunst- en godsdienstwetenschappelijke opvattingen en theorieën. Zelfs "moderne filologie' ontbreekt niet in de Leidse Indonesianistiek. Tenslotte wordt de term modern gebruikt als men studies over het moderne Indonesië stelt tegenover die over oude Indonesische culturen en geschiedenis. Als men uit Leiden voortgekomen publikaties over Indonesië gedurende de laatste 30 jaar overziet neemt het moderne Indonesië daarin een grote plaats in: lexicale en grammaticale studies over de nationale eenheidstaal Indonesisch en het hedendaagse Javaans, handboeken over de moderne literaturen in die beide talen, fundamentele studies over de hedendaagse Islam in Indonesië, boeken over de hedendaagse kunst, talloze antropologische en sociologische studies over allerlei aspecten van de hedendaagse etnische of nationale samenlevingen en over de moderne geschiedenis.

Verwarring van die drie gebruikswijzen en de context waarin ze voorkomen resulteert, gewild of ongewild, in de suggestie van een tegenstelling modern = actueel = levend, tegenover ouderwets = tijdloos = stoffig. De laatste termen worden dan geassocieerd met de Leidse Indonesianistiek; ook het stuk van Vlasblom wekt die associatie.

Tenslotte: noch het KITLV noch het PRIS, hoewel beide te Leiden gevestigd waren of zijn specifiek of typisch Leids. Het Instituut is al 141 jaar een nationale instelling, zoals blijkt uit de statutair voorgeschreven samenstelling van zijn bestuur, en ook de Stuurgroep van het PRIS en zijn adviescommissie zijn van het begin af samengesteld geweest uit hoogleraren en medewerkers van alle bij Indonesische studies betrokken Nederlandse universiteiten.