GOTEN EN ANDERE ONTHEEMDEN IN HET ROMEINSE RIJK

Goths and Romans, 332-489 door Peter Heather 378 blz., Oxford University Press 1992, f 98,35 ISBN 0 198 20234 2

In honderdvijftig jaar kan veel wereldse glorie vergaan. In het jaar 332 nog bracht de machtige Romeinse keizer Constantijn een groep Goten, de Tervingiërs, triomfantelijk onder zijn gezag. Anderhalve eeuw later bestond alleen nog een Oostromeins Rijk met als hoofdstad Constantinopel, en waren er twee zelfstandige Gotische koninkrijken op wat eens Romeins grondgebied was: het Visigotische rijk in Gallië en het Ostrogotische in Italië.

Lange tijd is de teloorgang van het Westromeinse imperium geassocieerd met aanstormende horden onbeschaafde, zwaar behaarde barbaren. Dat beeld is afkomstig van Romeinse schrijvers die nauwelijks onderscheid maakten tussen Hunnen, Franken, Alamannen, Gepiden, Scythen, Vandalen en Goten. Allemaal werden ze geportretteerd als zuipende, verkrachtende en plunderende woestelingen met maar één doel voor ogen: de vernietiging van het beschaafde Rome. Aangezien "barbaarse' bronnen die dit konden tegenspreken, ontbraken, is later voor het gemak dit eenzijdige beeld in zijn geheel overgenomen en daardoor in allerhande geschiedenisboekjes terechtgekomen.

Inmiddels is het perspectief door enkele wetenschappelijke publikaties bijgesteld. Dat doet Goths and Romans, 332-489 van Peter Heather ook. Het boek beschrijft de voorgeschiedenis van de twee Gotische rijken, en daaruit blijkt dat de verhoudingen tussen Goten en Romeinen ingewikkelder waren dan je tussen twee elkaar vijandig gezinde volkeren zou verwachten.

Tot het jaar 375 verliepen de relaties tussen de Goten en Romeinen volgens een vaststaand patroon. De Goten, die oorspronkelijk afkomstig waren uit Scandinavië, maar reeds lange tijd in het gebied rond de Zwarte Zee woonden, gingen geregeld op zoek naar de rijkdommen van het Romeinse Rijk aan de overkant van de Donau. Op hun beurt deden vele Romeinse keizers er alles aan om dat te voorkomen. Constantijn bijvoorbeeld koos daarvoor een vertrouwde Romeinse methode: eerst het vijandige volk onderwerpen en vervolgens proberen een nauwe relatie op te bouwen. Daartoe werden verdragen gesloten die voor de onderworpenen weliswaar vervelende kanten kenden (zoals dienstplicht en uitlevering van gijzelaars), maar ook voordelige (zoals speciale handelsvoorwaarden en jaarlijks een aanzienlijke gift uit de Romeinse staatskas).

HARDE HAND

Maar in het geval van de Goten mocht dat blijkbaar niet baten, want ondanks zo'n verdrag moest keizer Valens tussen 367 en 369 weer met harde hand drie militaire campagnes voeren tegen de weerbarstige Goten. Pas een persoonlijke ontmoeting tussen Valens en de Gotische vorst Athanaric leidde tot vrede. Maar ook die zou niet blijvend zijn.

Nog geen tien jaar later zorgde de komst van het centraalaziatische ruitervolk der Hunnen naar Oost-Europa voor ingrijpende veranderingen in de bestaande situatie. Enkele Gotische groepen trokken zich terug in de Karpaten, anderen bleven waar ze waren en werden overmeesterd, maar een zeer groot deel, ongeveer 100.000 personen, ouden van dagen, vrouwen en kinderen meegerekend, trok in het jaar 375 in verschillende groepen naar de Donau, in de richting van het Romeinse Rijk. De vluchtelingen keken niet steeds angstig achterom of de Hunnen al kwamen. Dat was ook niet nodig, want de eerste Hunnen zouden pas in 400 aan de Donau verschijnen, maar hun opmars vanuit Centraal-Azië had voordien al een grote verplaatsing van volkeren tot gevolg.

De dreiging voor de Goten was in ieder geval groot genoeg om hun oude vijand Valens een officieel verzoek te doen om hen tot het Romeinse wereldrijk toe te laten. Op het verzoek was maar één antwoord mogelijk, want de Romeinen hadden op de Balkan niet genoeg troepen om de Goten tegen te houden.

Heather beklemtoont in zijn boek dat de opname van de Goten in het Romeinse Rijk een unicum was in de geschiedenis van het Romeinse "vreemdelingenbeleid'. Vaak genoeg hadden de Romeinen volkeren of stamverbanden in hun midden opgenomen, maar dat hadden ze altijd onder bepaalde voorwaarden gedaan. De belangrijkste was dat de nieuwkomers onderworpen en ontwapend waren. Meestal verdeelden de Romeinen hen daarna over het imperium, waar ze als coloni (landarbeiders) andermans grond mochten cultiveren. In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als er een langdurige vredige relatie tussen beide volkeren bestond, gaven zij hun de status van laeti (pachters), maar daar stond dan wel een collectieve dienstplicht tegenover.

In dit geval zagen de Romeinen zich echter gedwongen een vijandig volk waarvan de aanzienlijke legermacht nog intact was, in zijn geheel op te nemen. Voor de Romeinen was het dan ook een schrale troost dat de Goten zich massaal tot het christendom bekeerden. Te schraal in ieder geval om te voorkomen dat de Romeinse ambtenaren de nieuwkomers consequent als "overwonnenen' behandelden. En dat leidde onvermijdelijk tot verzet en opstandigheid onder de Goten.

SCHADE EN SCHANDE

De migratie van de Goten vergrootte zo de dagelijkse zorgen van de Romeinse keizers. Ze moesten al op hun hoede zijn voor usurpatoren en intriges aan hun hof, en daar kwam nu het probleem bij van groepen Goten die moeilijk intoombaar bleken te zijn. Vanaf het begin was het duidelijk dat ze hen liever weer kwijt dan rijk waren en er alles aan zouden doen om dat voor elkaar te krijgen. Door schade en schande - keizer Valens bijvoorbeeld liet in 378 het leven bij een poging rebellerende Goten te verdrijven - kwamen ze erachter dat dit niet zou lukken.

In de tweede helft van de vijfde eeuw, toen het Westromeinse rijk al een zieltogend bestaan leidde, moesten de machthebbers in Constantinopel zelfs een tweede vloedgolf Goten over zich heen laten komen. Die bestond uit groepen die in de eeuw ervoor door de Hunnen overmeesterd waren, maar zich na de dood van Attila in 453 van hun overheersing hadden ontdaan.

Maar ook de Goten kenden hun problemen, zij ondervonden dat het Rijk binnenkomen één ding was, maar het krijgen en behouden van het nieuwe thuisland waarnaar zij op zoek waren, iets anders. Zo had iedereen verschillende belangen zeker te stellen, maar vaak liepen die door elkaar heen en dat zorgde meer dan eens voor gecompliceerde situaties. De geschiedenis van Alarik, de eerste die de Goten onder éénhoofdige leiding verenigde, moge als voorbeeld dienen.

In het jaar 395 was Alarik regimentsaanvoerder in het Romeinse leger in Thracië (ongeveer het tegenwoordige Roemenië). Met lede ogen had hij moeten toezien dat de Goten zich weliswaar binnen de grenzen van het Romeinse rijk hadden weten te handhaven, maar niet verder dan tot een vorm van semi-autonomie gekomen waren. Ze hadden zelfs moeten toestaan dat hun legermacht werd opgenomen in de Romeinse legioenen en tegen usurpatoren werd ingezet.

TWEESPALT

De dood van keizer Theodosius gaf Alarik een kans hierin verandering te brengen. Na het overlijden van de keizer werd het Romeinse Rijk tussen diens twee zonen verdeeld: Honorius kreeg het westelijk deel en Arcadius het oostelijk. Beiden waren nog te jong om zelf te regeren en daarom had Theodosius op zijn sterfbed twee voogden benoemd, van wie Stilicho, een Vandaal die zich tot de belangrijkste legeraanvoeder had opgewerkt, Honorius onder zijn hoede kreeg, en de praefectus praetorius Rufinus de andere zoon, Arcadius.

De keizer had zijn laatste adem nog niet uitgeblazen of de twee voogden raakten met elkaar in conflict over de vraag tot welk rijk de provincie Illyrië behoorde. Alarik maakte van de tweespalt gebruik om de Goten onder zijn commando te verenigen en in opstand te komen.

Met de legermacht die hij wist te verzamelen, had hij makkelijk een stuk land kunnen bezetten, maar hij was lang genoeg onder de Romeinen geweest om te beseffen dat het dan iedere keer wachten was geweest op de volgende Romeinse aanval. Alarik wilde een officiële status, die zijn leiderschap bij zowel de Romeinen als de Goten bevestigde en zijn volgelingen een veilige basis en een aanzienlijk vast inkomen garandeerde. Hij eiste dus een militair gouverneurschap in ruil voor vrede.

Op zijn geheel eigen wijze probeerde Alarik zijn wensen eerst in Constantinopel ingewilligd te krijgen: hij belegderde een stad hier en plunderde een regio daar, net zolang tot hij gekregen had wat hij wilde. Twee jaar later was het zo ver en werd hij tot gouverneur van Illyrië benoemd door Eutropius, de eunuch die inmiddels door een moordaanslag op Rufinus de man was die de touwtjes van beoogd keizer Arcadius in handen had.

Maar helaas voor Alarik volgden de machtswisselingen aan het oosterse hof elkaar snel op, want Eutropius verloor zijn positie aan Aurelianus, die weer werd afgelost door Gainas en Caesarius, met als gevolg dat Alarik zijn zuur verdiende functie werd ontnomen.

Alarik beproefde daarop zijn geluk in Italië. In 401 leed hij daar een nederlaag tegen de veldheer Stilicho, maar die bleek ruimhartig. Wat meer was: Stilicho kon hem wel gebruiken in zijn strijd tegen het rivaliserende hof in Constantinopel en gaf Alarik weer de zo zeer gewenste militaire status en bovendien juist dat deel van Illyrië waarop Constantinopel aanspraak maakte. Ook nu kon de voorman der Goten niet lang van zijn succes genieten, want keizer Honorius ontdeed zich van Stilicho en ontpopte zich als iemand die niets van barbaren moest hebben.

ENORME INDRUK

Alarik keerde spoorslags terug naar Italië en veroverde zelfs op 24 augustus 410 Rome, hetgeen een enorme indruk maakte. Sinds 390 voor Christus was de eeuwige stad immers niet meer veroverd door vreemde troepen. Maar wat Alarik ook probeerde, zelf een keizer benoemen, hem weer ontslaan, eeuwige trouw beloven, dreigen Rome opnieuw in te nemen - de plundering in 410 probeerde hij te bagatelliseren als een "bedrijfsongeval' - het mocht niet baten, want Honorius, die zich veilig in zijn residentie in Ravenna had teruggetrokken, bleef onvermurwbaar.

Kort daarna overleed Alarik en hij maakte dus niet mee dat Honorius in 418 eindelijk inzag dat hij maar op één manier van het Gotische probleem af kon komen: hij gaf hen officieel de beschikking over een stuk land, te weten de Garonnevallei tussen Bordeaux en Toulouse. Nog dezelfde eeuw zou die regio uitgroeien tot het Visigotische rijk, dat op zijn hoogtepunt van de Loire tot Gibraltar reikte.

De voorgeschiedenis van het Ostrogotische rijk kent een zelfde soort verhaal van Goten die zich tegen een achtergrond van wisselende allian-ties, staatsgrepen en opstanden een vaste plaats binnen de grenzen van het Romeinse rijk verwierven.

Peter Heather doet beide verhalen uiteen in een gedetailleerd betoog - het maakt zijn boek tot iets anders dan hapsnapleesvoer - waarbij hij zich een schoolvoorbeeld toont van een wetenschapper die weet hoe hij met zijn bronnen om moet gaan. Hij wikt en weegt nauwgezet, laat ruimte over voor andere meningen, maar schrikt er niet voor terug conclusies te trekken. Eén daarvan is de constatering dat de bronnen altjd de nadruk hebben gelegd op het gevaar dat de Goten voor de Romeinen betekenden, en daarmee voorbij zijn gegaan aan het feit dat de migratie voor de Goten even goed gevaarlijk was. Het betekende voor hen een jarenlange strijd om te overleven in een rijk dat hen vijandig gezind was en bovendien zelf verwikkeld was in een interne machtsstrijd met alle intriges vandien.

Het was volgens Heather de drang om niet ten onder te gaan en de daaruit voortkomende behoefte aan veiligheid die de Goten voor het eerst in hun geschiedenis samen en onder het leiderschap van één man bracht. Vóór de Gotische migratie had je onafhankelijke groepen als de Tervingiërs, die afkomstig waren uit Moldavië, de Greuthungiërs uit de Oekrane en nog vele anderen. De komst van de Hunnen maakte aan die versnippering een einde. Hun verhuizing westwaarts resulteerde in een diepgaande verandering van de politieke en sociale structuur van de Goten. En leidde uiteindelijk in één moeite door tot de ondergang van het Westromeinse Rijk.