Eieren rapen in de kibboets

In het fotoalbum van Jan-Willem Bronsveld zie je bebaarde en langharige jongeren met slappe witte petjes op, bezig fruit te plukken. “Wij droegen onze kibboets-petjes nog met trots”, zegt hij. “Nu draagt iedereen van die baseballcaps.” Bronsveld, onderwijzer en vader van twee kinderen, was in 1971 een van de eerste klanten van het prille studentenreisbureautje Kibboetstours. Hij werd volunteer en plukte met de eerste georganiseerde groep kibboetsgangers uit Nederland zes weken lang peren.

De organisatie heet nu kortweg K-tours. Het amateuristische initiatief van weleer is uitgegroeid tot een bloeiend bedrijf, dat vooral gewone vakanties in Israel en reizen naar Egypte organiseert, met de kibboetsen als bijprodukt.

Vanuit het kantoor in Amsterdam worden per maand ongeveer 40 Nederlandse jongeren als vrijwilliger naar Israel uitgezonden. In de zomervakantie is het drukker: in juli meldden zich 200 jongeren aan voor een maand kibboets. Dit jaar heeft K-tours zelfs een wachtlijst moeten instellen: op veel kibboetsen nemen pas gearriveerde Ethiopische en Oosteuropese joden de plaats in van de vrijwilligers. Oorlog en spanningen in het Midden-Oosten hebben nauwelijks invloed op de belangstelling voor de kibboets: een maand na de Golfoorlog stroomden de inschrijfformulieren al weer binnen.

De kleurige folders van K-tours over de "werkvakantie in Israel' staan vol foto's van meisjes in badpak, zeilboten, picknicks en folkloristische taferelen. Volgens Irene Oudmaijer-Shemesh, medewerkster van het reisbureau, denken vooral de jongeren die 's zomers vier weken kibboets doen meer aan vakantie dan aan werken. Voor de 995 gulden die een retourticket kost, springen de ouders nogal eens bij, is haar indruk.

“Wij gingen omdat je je verwant voelde met het idee van een collectieve werkgemeenschap”, zegt Bronsveld. “Ik had er op de HAVO een aardrijkskundewerkstuk over gemaakt. De politieke ideeën spraken me aan. Samen werken en samen verantwoordelijk zijn, zonder dat de een meer betaald krijgt dan de ander.”

Bronsveld houdt sinds zijn eigen verblijf in Israel regelmatig praatjes op informatiedagen van K-tours voor kibboetsgangers in spe. Veranderingen in de motivatie heeft hij van dichtbij gade kunnen slaan. Er is een groep die in de zomervakantie naar het buitenland wil, maar niet al te veel geld heeft te besteden. De gratis kost en inwoning in de kibboets maakt een dergelijke vakantie nog altijd goedkoper dan een maandje Interrail. Dan zijn er degenen die zijn uitgeloot voor een studie en in de kibboets een wachtperiode willen overbruggen. En ten slotte is er een kleine groep die erover heeft nagedacht en die voor een langere tijd voor het kibboetsbestaan kiest.

Op verbroedering met de kibboetsbevolking hoeven volunteers die maar een paar weken gaan niet te rekenen. “Daar waarschuw ik de jongeren ook voor. Je wordt gewoon gezien als een arbeider”, zegt Bronsveld. In zijn tijd ging dat wel anders: toen werden alle vrijwilligers nog geadopteerd door trotse "kibboetsouders'. “Ze vonden het fantastisch dat je helemaal uit Nederland kwam om ze te helpen.” Ervaringen met dronken Engelsen, drugsgebruikende Amerikanen en aan heimwee lijdende Hollanders hebben het enthousiasme aanmerkelijk bekoeld; de bewoners kijken nu eerst de kat uit de boom.

Menig vrijwiliger die idyllische visioenen heeft van een maandje peren plukken in de zon komt bedrogen uit. Hij kan zich beter instellen op het verrichten van lopende band- of keukenwerk. Jacqueline van Oostveen (25) kwam onlangs terug van drie maanden kibboets. Zij moest eieren rapen. “De verschrikking van elke volunteer. De hele dag kippekonten optillen in een hok met 6.000 kakelende kippen.” Na een paar weken kreeg ze leuker werk: het desinfecteren en injecteren van nieuwe kippen die ondersteboven aan een lopende band voorbij kwamen. “Daar kon ik nog wel de humor van inzien.”

Desondanks heeft ze “gewoon een machtige tijd gehad” in de kibboets en denkt ze erover nog een keer te gaan. “De spirit van de volunteers zal altijd blijven. Het gevoel dat je er met de andere vrijwilligers wat van moet zien te maken. En de feestjes natuurlijk.”

René de Visser, eveneens 25 jaar oud en zojuist uit Israel teruggekeerd, had genoeg van zijn baantje bij de Sociale Verzekeringsbank. Hij wilde wel eens iets anders. “Ach, je gaat er naartoe, je krijgt er te eten, alles is georganiseerd”, zegt hij. “Je komt heel ontspannen terug.” Wel vond hij dat de volunteers in de kibboets werden gediscrimineerd. “We mochten niet eens naar de kleurentelevisie kijken.” En de kibboets waar hij zat was arm. “Het eten was elke dag hetzelfde en we kregen geen bier of sigaretten.” Toch denkt ook hij erover nog eens naar de kibboets terug te gaan: “Ik heb mijn VWO niet afgemaakt, ik vind toch geen goeie baan, ik heb niet echt een doel in mijn leven”.

“Ik heb er hard voor gespaard en gewerkt destijds”, zegt C. Kok-Helder, die in 1973 na haar VWO-examen volunteer werd. “Mijn moeder is joods, ik wilde altijd al Israel verkennen, en ook een stukje helpen met de opbouw van het land. Als je langs de grens rijdt, en je ziet dat het aan de Israelische kant groen is en aan de andere kant dor, dan krijg je daar bewondering voor, dan wil je daaraan meewerken.”

Een verschil met nu, denkt Jan-Willem Bronsveld, is dat de ouders van zijn generatie kibboetsgangers de oorlog nog hebben meegemaakt. “Die verbinding leggen de jongeren van nu niet meer. Ik stond nog peren te plukken met een professor uit Warschau die Auschwitz had overleefd. En op de kibboets hadden we lezingen van mensen die met de Exodus naar Israel waren gekomen.”

Op de informatiedagen waar hij zijn praatje houdt, verbaast hij zich regelmatig over de gestelde vragen. “Dan merk ik duidelijk dat ze zich helemaal niet hebben voorbereid. En ze zullen het niet leuk vinden dat ik dit zeg, maar het valt me op dat de meesten hun ouders meenemen. Laatst moest ik nog dertig stoelen erbij slepen, omdat er onverwachts veel vaders en moeders in de zaal zaten.”