"De tiende man op de bank had een salaris van 55.000 gulden'; Gebrek aan goed management brak basketbal en ijshockey op

De basketballers in Nederland reikten ooit naar de hemel van uitverkochte sporthallen. Rond 1980 kon het geld niet op bij de topclubs. De nationale ijshockeyers speelden op de Olympische Spelen in Lake Placid. Wanneer? In 1980. Na twaalf jaar stilstand en relatieve achteruitgang dreigen de sponsors in deze twee sporten de clubs te verlaten. “We moeten het nationale team vergeten en bij de jeugd beginnen”, zegt een basketbal-coach.

ROTTERDAM, 26 SEPT. Iedere thuiswedstrijd in de Leidse 5 mei-hal kwam de plaatstelijke brandweercommandant op de manager van de basketbalclub af: “Meneer Van Egmond, in deze zaal mogen 960 mensen. Er zitten er 2300”. Maar de commandant ging nooit in op de uitnodiging het teveel aan bezoekers vanaf de middenstip aan te wijzen en de zaal uit te gooien. Voor een beslissingswedstrijd tegen Den Bosch om het landskampioenschap kon manager Frans van Egmond de Groenoordhal vullen met meer dan 10.000 toeschouwers. Leidenaren stonden in de rij voor een kaartje voor een Europa-Cupduel. “Nu krijg je van beide suppoosten een hand als je naar een wedstrijd gaat.”

Van Egmond had van 1978 tot 1983 een budget van ongeveer een miljoen gulden per jaar te besteden. De Nederlandse competitie kon zich meten met de beste in Europa. Er speelden hier Amerikanen met een Nederlands paspoort. “De helft had dat paspoort nog niet toen ze hier kwamen, maar een ambtenaar van de burgerlijke stand wilde wel eens de andere kant opkijken”, vertelt Van Egmond. Er kwamen ook Amerikanen naar Leiden, echte vedetten, zoals de reus Washington, die ruim een ton verdiende en toen al een prachtige lease-auto had. Maar als zijn zwart-wit televisie thuis storing vertoonde, gooide hij in de wedstrijd de bal met opzet mis.

De weelde in Leiden en Den Bosch, de andere topclub, was groot. Van Egmond: “Er is een jaar geweest dat de manager van Den Bosch en ik de Amerikanen van zeven ploegen betaalden. Toen eens halverwege het seizoen bleek dat een club 40.000 gulden tekort kwam, belden wij elkaar en betaalden we dat. Je kon een team toch niet laten wegvallen?”

De bloeiperiode was begonnen bij het enthousiasme van de spelers en de clubs. Die leerden zichzelf in het begin van de jaren zeventig basketballen. Daaruit groeide een uitzonderlijk getalenteerde generatie Nederlanders, met als uitblinker Kees Akerboom. “Een talent zoals Cruijjf, dat je maar eens in je leven tegenkomt”, zegt Ton Boot, zijn toenmalige coach. Sponsors en televisie raakten gecharmeerd van dat talent. De volleybalbond had drie keer zoveel leden, maar kreeg veel minder publiciteit. “Het hielp dat bijvoorbeeld de journalisten Mart Smeets en Jack van Gelder uit het basketbal kwamen”, verklaart Akerboom.

Parker wilde de markt voor scholieren veroveren, vertelt Van Egmond. Uit het ondernemingsplan en de marketingsplan rolde sponsoring van een flitsende, Amerikaanse sport. Basketbal. Het bedrijf koos voor Leiden omdat die club onderaan stond en een goede organisatie had. Het werd een bedrijf waar rond de belangrijke wedstrijden 130 mensen voor werkten.

Na vijf jaar had Parker zijn doel bereikt, een naamsbekendheid van vrijwel honderd procent die tot op de dag van vandaag is vastgehouden. Zoals het contract voorschreef, zorgde het bedrijf voor een opvolger. Maar de nieuwe sponsor kreeg een nieuwe eigenaar en hield het snel voor gezien. Toen de sponsor ermee ophield, verdwenen de buitenlanders. Nu speelt Leiden in de op een na hoogste klasse en wil de club niet promoveren.

In het ijshockey kwamen de buitenlandse sterren niet uit Amerika, maar uit Canada. “We leefden drie jaar lang in een ijshockey-roes”, vertelt Ron Berteling, de aanvoerder van het Nederlands team die al in 1980 in de basis stond. “We wonnen in 1979 de B-poule, speelden in 1980 in Lake Placid en in 1981 in de A-poule. We hoorden bij de beste acht landen van de wereld. Als je in de competitie in Heerenveen moest spelen, waren er bij de warming-up twee uur voor de wedstrijd al tweeduizend toeschouwers.” In die tijd, zo vertelt de huidige voorzitter van Heerenveen S. Braaksma, ging het gesprek op maandagochtend op je werk alleen over ijshockey. De Feenstra Flyers werkten toen met een budget van rond de 800.000 gulden en werden van 1976 tot 1983 zeven keer op rij landskampioen. De golf Nederlandse Canadezen zwiepten het spelpeil omhoog, namen de Nederlanders op sleeptouw en zorgden voor uitverkochte ijshallen.

HIER WITREGEL!!!!!

Ook in de gouden jaren van de de Amerikaanse sporten in Nederland, stonden de sponsors niet voortdurend op de zaaldeur te kloppen. Nederland werd in 1983, zonder geldschieter, vierde op het Europese kampioenschap basketbal. Maar beide sporten hebben het nu moeilijker dan ooit. Omdat de rest van Europa zich wel ontwikkelde, raakte Nederland achterop. “Moet je zien waar nog basketbal gespeeld wordt: in dorpen als Urk, Den Helder en Weert”, zegt oud-international Kees Akerboom. De baskebalcompetitie is dit jaar van twaalf naar acht teams teruggebracht. Den Bosch bereikte de tweede ronde van de Europa Cup, maar de sponsor - vier ton per jaar - houdt er middenin een drie-jaar-contract mee op. De ploeg komt vanavond mogelijk niet eens in actie voor het eerste competitieduel omdat er geen geld is voor de salarissen. Van de Brabantse clubleiding mogen de spelers weg als ze dat willen.

Pas een maand gelden besloot de sponsor van ijshockeykampioen Utrecht het contract met een jaar te verlengen. Anders had Utrecht dit jaar niet kunnen spelen. In Geleen moesten de spelers moesten onlangs een salarisvermindering van 30 procent accepteren.

Frank van der Wall Bake, directeur van het sportmarketingbureau Trefpunt uit Hilversum, “staat niet te trappelen” om basketbal - al jaren ruim 40.000 leden - en ijshockey - al jaren 3.000 leden - aan nieuwe sponsors te verkopen. Het probleem is een teveel aan opportunisme en een gebrek aan structuur en organisatie in het laatste decennium. “Ze zijn niet goed met die luxe omgegaan. Het beleid, een escalatie van overenthousiasme, was op de korte termijn gericht. Er speelden te veel professionals die te duur waren. Buitenlandse spelers stonden op de pay-roll van de sponsor. Als die zich bij een economische tegenslag terugtrok, was de continuteit niet gewaarborgd. Sporttechnisch ontwikkelde de sporten zich in hoog tempo, maar bestuurlijk bleef de ontwikkeling daarbij achter. Er was een specifiek gebrek aan goed management.”

“Ik deed ook mee aan de prijsopdrijving”, bekent Van Egmond. “Als mijn coach een speler per se wilde hebben, bood ik 10.000 gulden meer dan de concurrent. We hadden op de bank een tiende man zitten met een salaris van 55.000 gulden!”

Sportsponsoring bedroeg in 1990 en 1991 ruim vierhonderd miljoen gulden per jaar. “Dat kan niet meer door liefhebbers op dinsdagavond in een achterkamertje geregeld worden”, zegt Van den Wall Bake. De sponsors stellen tegenwoordig hoge eisen. Het gaat niet meer alleen om naamsbekendheid, maar om imago-building. Daarom moet de sport een positieve uitstraling hebben en op een brede basis rusten. De clubs zouden ook zonder sponsorinkomsten moeten kunnen bestaan. Daarna kan een sponsors voor extra inkomsten en extra attracties zorgen.

De clubs en de bonden hebben verzuimd de ontwikkeling van nieuw talent te garanderen door een gedegen jeugdopleiding op te zetten. “De Nederlandse ijshockeycompetitie draaide op de jeudopleiding in Canada”, erkent bondscoach Larry van Wieren. Toen de Canadezen te oud werden of teruggingen naar hun geboorteland viel er een gat dat de Nederlanders niet konden dichten. Voor de ijshockeybond is Van Wieren vier jaar geleden begonnen met het op orde brengen van het nationale team en is hij “als een gek” aan de jeugd gaan werken. Die lange termijn-planning moet over tien jaar zijn vruchten gaan afwerpen. Heerenveen-voorzitter Braaksma: “Op dit moment zijn de clubs in de eredivisie zelfs niet in staat één talent per jaar voort te brengen. Op een team van twintig spelers is dat te weinig.” Hij pleit voor een “beheerst management”. De clubs moeten voorlopig leven met de beperkte middelen waarover ze beschikken en geen spelers bij elkaar weg proberen te halen.

Ook in het basketbal ligt de toekomst bij de jeugd. “Er zijn maar tien goede basketballers in Nederland”, zegt Ton Boot, coach van landskampioen Den Helder. “De rest kan met een balletje stuiteren. We moeten het nationale team vergeten en ons op de jeugd concentreren.” Van Egmond speelde met de gedachte om het nationale jeugdteam in de eredivisie tegen de grote jongens te laten spelen. “Ik trainde wel eens mee en dan zei die lange Larry Kip: 'Weet je wat jouw probleem is? Jouw ogen zitten op de hoogte van mij ellebogen'. Daar word je hard van.”

Komt het nog goed? Natuurlijk, zeggen alle genterviewden. Van den Wall Bake: “Basketbal en ijshockey zijn snel, flitsend en geschikt voor televisie. Het zijn sporten waar je niet echt de regels voor hoeft te begrijpen.” Akerboom: “Zet iemand neer met visie. Net als bij de volleybalbond. Die lange jongens, die eerst niets konden, blijken vier jaar later bij de wereldtop te horen.”