De grote kokkelroof van 1990; En andere extreme bedreigingen van de Waddenzee

In Zuid-Europa is de kokkel een geliefd schelpdier. Om aan de vraag naar deze delicatesse te voldoen, wordt in Nederland de Waddenzee leeggevist. Deskundigen spreken van een ecologische ramp, die voor vogels de hongerdood betekent. Maar er is meer loos: toeristen doorkruisen het gebied in snelle motorboten en oliemaatschappijen willen er gas boren. Op bezoek in een natuurreservaat waar goed wordt verdiend.

Sommigen vinden dat de Waddenzee al is verloren, dat zij haar tijd heeft gehad. Voor hen is dit grensgebied van land, water en wolkenlucht alleen nog een herinnering aan het laatste stuk wilde natuur van Nederland.

Anderen zien nog hoop. Als het beleid nu radicaal zou veranderen, zeggen ze, komt het gebied de jaren van roofbouw misschien nog te boven. In enkele decennia, en anders toch zeker wel binnen een eeuw, zouden de Wadden zich dan kunnen herstellen als reservoir van een veelsoortig planten- en dierenleven.

Ook nu nog, zelfs pessimisten geven het toe, zijn de zandplaten een toevluchtsoord voor duizenden vogels: een pleisterplaats waar zij voedsel vinden en, als alles meezit, de rust om hun veren glad te strijken en in het reine te komen met zichzelf en de omgeving. ""Maar zo'n situatie is een uitzondering'', weet bioloog Theunis Piersma. ""Net als een groot deel van de Nederlanders in de vorige eeuw, leveren de vogels hier voortdurend strijd tegen de armoe. Toch zijn er af en toe dagen dat hun respijt wordt gegund. Dan zijn de omstandigheden even optimaal: het is mooi weer, er is voldoende voedsel en er zijn geen vliegtuigen of mensen op waterski's die de stilte verstoren. In zulke omstandigheden komen de vogels echt op krachten.''

De laatste jaren kregen ze die kans niet meer omdat er, simpelweg, niets te eten was. ""De Waddenzee is leeggevist'', zo luidde vorige zomer de conclusie van J. de Vlas, een deskundige van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. Elders drukt men zich inmiddels sterker uit. De Waddenvereniging, de Vogelbescherming en het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) noemen het gebied een geplunderd wingewest, dat werd beroofd van praktisch zijn hele voorraad kokkels en zijn laatste mosselbanken. Dit leidde tot goede verdiensten voor de vissers, maar ook tot een massale hongerdood van eidereenden en andere vogels. Om met Koos van Zomeren te spreken: Tevreden mensen aan het begin, tevreden mensen aan het eind en een keten van radeloze dieren ertussenin.

""Al doende takelt de Waddenzee verder af'', stelt NIOZ-medewerker Theunis Piersma vast. ""De huidige visserij, die zich uitsluitend richt op oogsten, is in haar gevolgen te vergelijken met intensief tuinonderhoud: wanneer men het gazon constant maait, sterven de meeste grassoorten uit en ontstaat een eenvormig geheel. Zo werd de Waddenzee, de enige wildernis die ons restte, een akker zoals Nederland er vele heeft. Een mooie akker, dat zeker, maar een die niets heeft te maken met het afwisselende landschap van mosselbanken, kreekjes en poelen dat hier eens was. De grijze vlakte die we nu hebben, doet eerder denken aan het IJsselmeer - een poel des verderfs die dienst doet als zinkput van de Rijn.''

Ongelijke strijd

Medestanders van Piersma duiden de Waddenzee aan als een oorlogsgebied, een plek die de inzet vormt van een krachtmeting tussen vissers en het groene front. In de hitte van de strijd omschrijft het laatste kamp zijn tegenstanders als milieu-vandalen, die niet schromen alle regels te overtreden. Tegenover deze overmacht voelen de groenen zich weerloos: gezien de belangen die op het spel staan, steken de vissers volgens hen veel geld in een uitgekiend public relations-offensief, dat op het ministerie en daarbuiten indruk maakt. Ongeorganiseerde biologen kunnen daar onvoldoende tegenover stellen.

Maar ook de visserslobby klaagt dat er sprake is van een ongelijke strijd. J.D. Holstijn, de militante woordvoerder van de mossel- en kokkelsector, ziet zich geplaatst voor "een muur van vooroordelen' die moeilijk is te slechten. ""Om ons zwart te maken beweren ze de gekste dingen'', zegt hij tijdens zijn ronde door een bedrijf waar nu, in het hoogseizoen, per minuut tweehonderd blikken kokkels van de band rollen. ""Zo werd het voedseltekort van sommige vogelsoorten vergeleken met de hongerwinter van 1944. Zulke beweringen zijn buiten elke proportie, hoe moeten we ons daartegen verweren? Inderdaad is vorig seizoen, zoals ook in een strenge winter gebeurt, een zeker aantal eidereenden en scholeksters omgekomen - dat ontkennen we niet. Maar die vogels zijn hier bepaald niet zeldzaam, dus ik vraag me af of die sterfte wel zo verschrikkelijk is.''

Voor de tegenpartij is het antwoord op deze vraag duidelijk. Nadat was gebleken dat maar zes procent over was van het gemiddelde aantal kokkels (50 miljoen kilo), maakte de Waddenvereniging in 1991 melding van een "ecologische ramp'. Deskundigen vinden nu dat hiermee niets te veel is gezegd. ""De gebeurtenissen in de Waddenzee vormen een van de grootste drama's van de laatste decennia'', zegt Nico de Haan van de Vogelbescherming. ""Een natuurgebied dat "duurzame bescherming' geniet, wordt zonder pardon uitgekleed. Hier geldt kennelijk nog het recht van de sterkste.''

De gevolgen daarvan waren duidelijk. ""Vooral onder de eiders was de slachting zonder weerga'', aldus Mardik Leopold van het op Texel gevestigde NIOZ. ""Ze stierven met tienduizenden tegelijk, een tijdlang kon je op dit eiland geen honderd meter lopen zonder dode vogels te zien en te ruiken. Azend op dezelfde prooi als de vissers, gingen ze ten onder als schadelijk wild.''

Gealarmeerd door de berichten besloot de minister de Waddenzee vorig seizoen in zijn geheel voor de kokkelvissers te sluiten. Na twintig maanden afgedwongen rust is de zaadval inmiddels weer zo ver op peil, dat het ministerie zich genoopt voelde de visstop te verzachten. De kokkelaars, zoals ze worden genoemd, kunnen dit najaar tien weken lang zowel in het Deltagebied als in meer dan de helft van de Waddenzee hun slag slaan. Begin deze maand maakten zij hun entree voor de kust van Voorne, waar ze het volgens de Zuidhollandse Milieufederatie gemunt hebben op de laatste grote schelpenbanken. Praktisch tegelijkertijd verschenen hun schepen voor de Noordhollandse en Friese kust.

Wat de gevolgen zijn van hun komst is bekend: elk schip is uitgerust met twee brede korren voorzien van waterspuiten, die met grote kracht de schelpen loswoelen uit de bodem. Theunis Piersma: ""Terwijl de schepen vlak over het wad heen varen, slurpen ze er de bovenste laag af om daar even later de kokkels uit te zeven. Sommige vissers brengen de lading meteen aan wal, anderen zijn gewend het kokkelvlees aan boord te koken en de omhulsels overboord te gooien. Op de omgeploegde bodem ontstaan zo de meest prachtige formaties van, helaas, dode kokkels. Het ligt voor de hand dat in hun omgeving de bodem extreem is verkalkt.''

Wriemelende vlekjes

Voor de eerste schepen arriveren, neem ik met aspirant-biologen Anita Koolhaas en Anne Dekinga poolshoogte op Hengst, een uitgestrekte zandplaat onder het Eijerlandse Gat. Voorzien van oliekleding en zwemvesten stappen we op een stormachtige dag in een Zodiac: een door een buitenboordmotor aangedreven rubberboot van het soort dat ook Greenpeace gebruikt. Terwijl het vaartuigje bonkend over de golven gaat, is het goed te weten dat de vuurtorenwachter van De Cocksdorp heeft toegezegd een oog in het zeil te houden. Na aankomst lopen we over de drooggevallen plaat in de richting van de einder; het weer is net helder genoeg om onderweg een glimp op te vangen van de bewoonde wereld, die hier aan de rechterkant Texel en de andere kant Vlieland heet.

Anita en Anne klappen op het natte zand hun vouwstoelen uit. Vandaar turen zij naar een grote hoeveelheid wriemelende vlekjes in de verte die, naar hun kijker uitwijst, vogels blijken te zijn. Het betreft hier circa duizend scholeksters en zesduizend kanoeten, aantallen die een leek ten onrechte een geruststellend gevoel geven.

Meer hoop valt te putten uit het gedrag van de vogels. Na twee uur observeren staat vast dat ze niet uitsluitend foerageren; de voorraad voedsel is kennelijk groot genoeg om zich tijd te gunnen voor een poetsbeurt, zich te vertreden of zomaar wat te staan. Zolang de vissers wegblijven, krijgen de kanoeten hier de kans bij te komen van de reis uit Canada of (in het geval van hun Siberische soortgenoten) krachten op te doen voor een even groot kunststuk: een non-stop-vlucht van vierduizend kilometer naar Mauretanië.

Geheel anders, volgens de berichten zelfs sinister, was de situatie deze zomer op Griend. Verontrust deed Koos van Zomeren in deze krant verslag van wat hij daar zag: de bodem was zanderiger en losser van structuur dan tot voor kort, kokkels waren er nauwelijks en de gewoonlijk in groten getale aanwezige kanoeten waren "massaal absent'. In 1988 al waren er aanwijzingen dat het op het eiland mis zou gaan. Piersma, indertijd ter plaatse aanwezig voor een onderzoek, staat het nog levendig voor de geest. ""Kijkend door het raam van het enige huis zag ik plotseling tien, twaalf platte gevaarten aankomen. Het waren de fabrieksschepen van de kokkelvissers, die onder bonkend geraas met springtij over het wad schoven en er de bovenlaag afschraapten. Toen ik na hun vertrek rondkeek, schoten de tranen me in de ogen: tot in de wijde omtrek lag alles overhoop, het hele natuurmonument was een ravage. Sindsdien is het hier niet meer goed gekomen.''

Het incident vormde het voorspel van wat nu bekend staat als de grote mossel- en kokkelroof van 1990. Nadat de Raad van State een visverbod voor een groot deel van de Waddenzee ongedaan had gemaakt, was het hek van de dam. ""Als gekken hebben ze het gebied uitgekamd'', zo berichtte een waarnemer na afloop in de pers. Norbert Dankers van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, een instelling die de minister in deze zaken adviseert, sluit zich bij dit oordeel aan: ""De vissers hebben er een gigantische puinhoop van gemaakt. Wat er toen gebeurde was een catastrofe.''

Zeegras

Met voorbeeldige ijver, soms zelfs 's nachts doorwerkend, legden de vissers in korte tijd beslag op praktisch elke kokkel. In de haast gingen zij niet erg zorgvuldig te werk: hun schepen voeren dwars door de beschoeiingen van landaanwinningswerken heen, drongen de gebieden voor zeehonden binnen en baanden zich een weg door de ecoplots van Rijkswaterstaat en de dienst Natuur, Milieu en Fauna. Bij Terschelling zorgde een van de vissers er bovendien voor dat het enige nog resterende stuk zeegras, een onderwaterweide voor schelpdieren, krabben en alikruiken, met wortel en tak werd uitgeroeid.

Ook de oude mosselbanken moesten eraan geloven. Hun aantal was in de jaren tachtig al gedecimeerd doordat de vissers, opererend buiten hun eigen percelen, aanslagen pleegden op banken in de getijzone. Honderden hectaren waren zo reeds verloren gegaan. Nu was het de beurt aan de nog resterende concentraties: soms honderden jaren oude mosselsteden die, aldus een kenner, een "afwisselend berglandschap' vormden van priëlen en poelen. In de nazomer van 1990 waren 27 schepen tegelijk bezig de laatste banken in het natuurgebied het Balgzand te slopen; elders ging men niet minder voortvarend te werk. Wat na afloop over was, werd met schop en kruiwagen geoogst.

De ingreep, door bioloog Cees Swennen gekwalificeerd als misdadig, had een desastreus effect. Een complete biotoop van algen, vissen en allerhande organismen, die als rustplaats fungeerde voor vijftien vogelsoorten, ging in de Waddenzee verloren. Wat overbleef was een kale, zanderige bodem, die door het ontbreken van mosselmuren geen beschutting biedt en zo het ontstaan van nieuwe banken belemmert.

De eidereenden, zwaarder getroffen dan andere soorten, stonden volgens Mardik Leopold na het visseizoen voor de keus de hongerdood te sterven of over te schakelen op het eten van krabben, een dieet met een voor hen fataal aantal parasieten. Een derde mogelijkheid was in verzwakte toestand uit te wijken naar gebieden als Frankrijk, waar een fors aantal door jagers werd geveld. Niettemin kwamen de mosselvissers in het geweer tegen deze vogels, die zij in een verklaring als een gevaar voor de toekomst van de sector bestempelden. Als compensatie voor hun "vraatzucht' eisten zij 40 miljoen gulden schadevergoeding.

Toch hebben de vissers weinig reden tot klagen. De cijfers die worden verspreid lopen uiteen, maar aangenomen mag worden dat in de schelpdierhandel jaarlijks circa 250 miljoen gulden omgaat. De mosselveiling in Yerseke neemt daarvan 100 miljoen voor haar rekening, een resultaat dat voor een groot deel wordt bepaald door gemiddeld 50 miljoen kilo mosselen per jaar uit de Waddenzee. De oogst zou nog veel groter kunnen zijn als niet ruim de helft verloren ging door de grootschalige aanpak van het huidige mosselbedrijf: veel dieren sterven tijdens het vissen of in het ruim van de schepen, waar de mossels enkele meters dik op elkaar worden gestort.

De kokkelaars streven naar een jaarlijkse vangst van 6 miljoen kilo, een hoeveelheid die in tijden van schaarste problemen geeft. Bijna de hele voorraad gaat naar Spanje en andere zuidelijke landen, waar kokkels bekend staan als een lekkernij. De opbrengst van de transacties, 150 miljoen gulden, verdwijnt deels naar de Britse multinationals Hazlewood en Fischer, beheerders van een modern geoutilleerde vloot kokkelschepen (investering, inclusief vergunning, 3 miljoen gulden per stuk).

Maar ook de 36 schippers die met hun maten het werk doen, verdienen in enkele maanden tijds een goed jaarinkomen. Daar staat tegenover dat hun reputatie er de laatste tijd niet op vooruit is gegaan: de exploitatie van een natuurmonument voor de handel in een delicatesse wekt groeiende weerstand. Om het image op te vijzelen, gaf de kokkelsector opdracht tot het schrijven van een analyse van de situatie. Daaruit kwam niet alleen naar voren dat vogels en vissen de meeste kokkels opeisen, maar ook dat het afschrapen van de bodem gunstig is voor de "vestiging van bodemfauna'. Verder stellen de onderzoekers dat de eidereend zo nodig een ander "voedselpakket' kiest dan wel naar elders uitwijkt.

De mossellobby, zoals een woordvoerder van deze branche het noemt, voegde daar op eigen gezag aan toe dat de Waddenzee zonder visserij snel zou ontaarden in ""een wildernis, een rotzooi waarmee niemand is gediend''. Nadat in antwoord op kritische reacties nog een vervolg-rapport was verschenen, besloten de biologen er het zwijgen toe te doen. Tegen zo'n "brij van waanideeën' en halve waarheden, verspreid door mensen die slecht op de hoogte zijn, zeggen zij niet op te kunnen.

Altijd meer

Toch hebben beide partijen in één opzicht dezelfde visie. Mossel- en kokkelvoorman Holstijn en NIOZ-medewerker Mardik Leopold zijn het erover eens dat vissers van nature jagers zijn: ""Ze willen altijd meer, als niemand hen stopt gaan ze door.''

Jan van Dijk, schipper op een van de drie schepen die namens het ministerie in de Waddenzee controleert, geeft hen gelijk: ""Na veertien jaar ervaring als visser weet ik dat het nodig is grenzen te stellen. Als je de zaak op zijn beloop laat, halen ze morgen de hele zee leeg. Daarbij is men zich niet bewust iets verkeerd te doen: het idee dat een mosselbank ergens nuttig voor kan zijn, komt niet bij een visser op. Vandaar dat al die wilde banken nu verloren zijn: waar het zes, zeven jaar geleden nog krioelde van palingen, krabben en ander leven is het nu een woestijn.''

Jan van Dijk besloot met vissen te stoppen toen tijdens de jaren zeventig een nieuwe aanpak in zijn vak de overhand kreeg. ""Sindsdien is alles gericht op groter en meer, degenen die willen doorgaan als vroeger worden door de overheid in de kou gezet. De natuur is daarvan de dupe - zelfs het pierensteken gebeurt nu machinaal met vaartuigen die alles onder het zand bedelven. "Maar het gaat toch goed', zeggen de vissers, "kijk maar hoeveel tong en schol we ophalen'. Dat is inderdaad zo, maar ze zeggen er niet bij dat de rest dood is, dat het leven in de zee is verdwenen.''

Het valt moeilijk te ontkennen dat de moderne visserij zorgvuldig te werk gaat. Terwijl in Holwerd zijn zwaar beladen kokkelschip HA5 wordt gelost, zegt schipper Albert Schagen dat elk visseizoen intensieve voorbereiding vergt. ""Voordat het echte werk begint, gaan we er met de schep op uit en speuren we systematisch het wad af. Stap voor stap kijken we hoeveel kokkels er in de grond zitten. Soms vinden we wel twintig stuks in één hand zand, dat is dan een goede plek. Al die plekken brengen we nauwkeurig in kaart.''

Wanneer de schepen uitvaren, kost het zo weinig moeite de oogst binnen te halen. De veertig kokkelaars die hun werk nog met de hand doen, zijn tegen deze concurrentie niet opgewassen. ""Waar de mechanische vissers zijn geweest, hoeven wij niet meer te komen'', verzucht hun woordvoerder Jacob Nadema in Witmarsum. ""Met die zware schepen van ze gaan ze wel twintig keer over de dikste plekken heen, zodat er van de soms wel duizend kokkels per vierkante meter maar dertig over blijven. In een dag vangen zij zo meer dan wij met hard werken in een heel jaar.'' Desondanks krijgt het oude handwerk van de overheid geen enkele steun, klaagt ook Nadema. ""Bij Vlieland en Noord-Beveland waren voor ons stukken water gereserveerd, maar de mechanische sector heeft dat ongedaan weten te maken. Het verzet daartegen mocht niet baten: sinds een paar jaar scheert het ministerie ons over één kam.''

Controle

Niet alleen de handkokkelaars vinden dat de "grote' visserij te zachtaardig wordt aangepakt. ""In andere landen zijn de regels veel strenger'', stelt Mardik Leopold. ""In de Verenigde Staten mogen bepaalde soorten vis maar één dag per seizoen worden gevangen en gaat er soms een waarnemer mee. Ook in Engeland en Duitsland is de controle intensiever. Daarbij vergeleken is de actiebereidheid van onze Algemene Inspectiedienst en de rijkspolitie te water gering.''

Bij de tegenpartij ziet Holstijn geen enkele reden voor een strengere aanpak. Zijn branche, zegt hij, wil maar één ding: aantonen dat visserij en natuurbeheer goed samengaan. Daartoe is nu elk schip voorzien van een black box, die naar zijn zeggen "zeer precies' registreert waar en wanneer men aan het werk was. Daar komt bij dat de fishing effort van de 36 schepen dit seizoen "uit eigen vrije wil' maar liefst is gehalveerd; uit voorzorg is zelfs afgesproken dat in diep water slechts vier uur per etmaal wordt gevist.

Niettemin is de vangst tot nu toe bevredigend. ""Daaruit blijkt dat de vissers geen woestijn achterlaten, dat de zee zich herstelt. Toch hebben we nu een visplan opgesteld, waarmee onze mensen zich pas op een vergadering akkoord verklaarden. Daar kregen zij eindelijk de nodige voorlichting. Tot nu toe had niemand ons ooit verteld waar een ecoplot voor dient of wat het belang is van zeegras en waar dat ligt.''

Jacob Nadema moet daar een beetje om lachen. ""Dit zijn opmerkingen op het niveau van de kleuterschool'', zegt hij tijdens de koffie in zijn huiskamer. ""Moet iemand mij nu werkelijk komen vertellen waarom ik de boel niet mag vernielen of waar het zeegras is te vinden? Dat wisten we toch allang? En dan die black box - wie installeert dat ding? En wie controleert het?''

Piet Feddema, woordvoerder van de Waddenadviesraad, toont minder achterdocht. ""De vissers hebben dit soort maatregelen genomen om meer faciliteiten te krijgen. Nadat zij iedereen tegen zich in het harnas hadden gejaagd, kunnen ze op deze manier hun goede wil tonen. Alleen als ze zich houden aan de regels, redden ze het hier.''

Feddema stelt het nog eens vast: de Waddenzee is in de eerste plaats een beschermd natuurgebied, alle andere activiteiten die er plaatshebben zijn daaraan ondergeschikt. Deze "hoofddoelstelling' is in 1981 vastgelegd in een zogenoemde planologische kernbeslissing (PKB) en sindsdien herhaald in een ontzagwekkende stapel nota's, notities, memoranda en beleidsvoornemens, variërend van de Derde Nota Waterhuishouding en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra tot het Watersysteemplan, het Natuurbeleidsplan, de Structuurnota Zee- en Kustvisserij en de akkoorden van de Waddenzeeconferentie te Esbjerg.

Tot nu toe bleef het echter bij goede bedoelingen en bedrukt papier; positieve resultaten zijn in tien jaar tijds nauwelijks geboekt, aldus de conclusie van prof. Wolff van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer. Toch bespeurt Feddema lichtpunten. Het besluit de helft van de Nederlandse Waddenzee dit jaar voor de visserij te sluiten, noemt hij een "trendbreuk'. Wat hem betreft geldt de term ook voor het plan om vissers voorgoed te weren in een kwart van het gebied en in "voedselarme jaren' 70 procent gesloten te houden.

Maar het natuurmonument kent nog tal van andere bedreigingen. De verontreiniging door olie en chemicaliën blijft groot (alleen al de provincie Groningen loost 4,6 ton landbouwgif per jaar), militaire oefeningen veroorzaken onverminderd geluidsoverlast en het aantal recreanten met snelle motorboten neemt nog steeds toe. Een recent rapport, opgesteld in opdracht van enkele gemeenten, drie provincies en twee ministeries, meldt intussen opgewekt dat de economische activiteiten verder kunnen worden uitgebreid. Zo ontwierp Harlingen al een masterplan voor een forse nieuwe jachthaven, een initiatief dat moeilijk valt te rijmen met de vaak verwoorde "hoofddoelstelling' voor dit gebied.

Aardgas

Een nog belangrijker testcase voor de goede bedoelingen van de overheid vormt haar houding tegenover de oliemaatschappijen: wordt het moratorium op de winning van aardgas in 1994 verlengd of komt er toestemming op het wad te gaan boren? De financiële voordelen daarvan zijn evident, maar voor het milieu kunnen de gevolgen ernstig zijn. Zo is berekend dat de bodem in 25 jaar tijds achttien centimeter daalt, waardoor nu droogvallende platen voorgoed voor de vogels verloren gaan.

Het groene kamp verwacht dat hierover nog een fikse strijd zal ontbranden. Als een slecht voorteken beschouwt men het voorstel van minister Alders de Waddenadviesraad, tien jaar na de oprichting en twee jaar na de officiële installatie, om redenen van bezuiniging op te heffen. Een ernstiger gevaar vormt volgens betrokkenen het zwakke beleid van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij, dat door innerlijke tegenstellingen wordt verlamd.

Degenen die vanwege hun functie contacten hebben met dit departement noemen de situatie er verschrikkelijk. ""Doordat veel bekwame mensen er zijn vertrokken, ontbreekt elke continuïteit: de ene keer zit je er tegenover iemand die verstand van zaken heeft, de volgende keer moet je overleggen met een ambtenaar die van niets weet. Daar komt bij dat er een sfeer heerst van onzekerheid, als er problemen zijn zit men elkaar angstig aan te kijken. Op het ministerie was bekend dat de zee hier werd leeggevist, maar niemand dorst er iets van te zeggen. Er is pas een probleem als er stennis ontstaat, zo luidt het motto.''

Ondanks alles gelooft het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek op Texel in een positieve benadering. ""De zorgen zijn groot, maar ik blijf optimistisch'', zegt Norbert Dankers. ""De Waddenzee is een robuust gebied dat er, met enige goede wil, na verloop van tijd weer bovenop komt.'' Bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, een paar honderd meter verder, is de stemming somberder. ""De ellende is dat de beleidsmakers pas handelen als het te laat is'', vindt Mardik Leopold. ""Na de kokkel hebben de vissers nu de spisula ontdekt, een schelpdier dat als voedsel dient voor zwarte zeeëenden. Als die over vijf jaar allemaal dood zijn, komt er een besluit de vangst van spisula's te beperken. Op dezelfde manier handelend, kan je eerst een bos kappen en vervolgens kijken welke bomen je had willen behouden.''

Theunis Piersma vat de situatie tenslotte kernachtig samen: ""Door overbevissing is de zuidelijke Noordzee nu een stormvlakte en de Waddenzee een akker die zijn geld opbrengt.''