Vrijdag 25; Stuntelaars

Zó trots was de FNV op haar interview met Nelly Frijda (onder de kop "Amateur-acteurs de buis af!') dat ze niet kon wachten tot het vakbondsblad bij de leden in de brievenbus was geploft: minstens tien dagen eerder werd de tekst al per fax naar alle media gestuurd.

Terwijl de bekende actrice alleen haar hart had gelucht over de zwakke positie van freelance-acteurs jegens hun opdrachtgevers en de oneerlijke concurrentie van amateurs op haar vakgebied. Voorlopig heeft de FNV er zelf nog geen standpunt over. Het enige wat de bond aankondigt, is een enquête onder acteurs over de vraag of toneel, film en televisie voortaan "het exclusieve werkterrein van beroepsacteurs' moeten zijn. Handig werd Nelly Frijda dus gebruikt om de kastanjes uit het vuur te halen - uit de aard van de reacties zou de FNV al bij voorbaat kunnen afleiden of er in de publieke opinie steun bestaat voor een ferm standpunt.

Een storm van bijval is uitgebleven. Het gemopper in acteurskringen over de hoeveelheid dilettanten in tv-series als Goede tijden, slechte tijden bleef beperkt tot gemopper in acteurskringen. Daarbuiten werd met niets dan afschuw gewezen op de closed shop die de Amerikaanse en Britse acteursvakbonden erop nahouden, een rigide systeem van ballotage en toelating dat voor veel aanstormend talent even toegankelijk is als een dichte deur. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de Nederlandse werkverhoudingen ooit ruimte zullen bieden aan zoveel vakbondsmacht. Hoeveel acteurs dezer dagen ook tegen de FNV-enquêteur zullen zeggen dat ze het met Nelly Frijda eens zijn. Stel dat de meerderheid haar mening deelt - wat moet de FNV dan met die uitslag beginnen?

De kern van het probleem heeft Nelly Frijda, naar valt te vrezen, zelf al onder woorden gebracht. Sprekend over al die talentloze "lieve jongens en meisjes' in het hoogst populaire soap-genre, verzucht ze: “En het Nederlandse publiek stoort er zich geen moment aan. Dat is al zo gewend aan die rotzooi. Als ze zo doorgaan is het Nederlands toneel, plus de Nederlandse film, plus het Nederlands televisiedrama, binnen tien jaar helemaal nergens meer.”

Het grote publiek in dit land heeft kennelijk een hang naar dilettantisme. Het drukt stuntelaars, die immers zo sympathiek en zo herkenbaar zijn, liever aan de borst dan kunstenaars die iets kunnen dat het publiek niet kan. Het prijst de kunstenaars die "zo gewoon' zijn gebleven. Het is, denk ik, een hoogst Nederlandse karaktertrek: men houdt niet zo van talent, men geeft er de voorkeur aan iedereen als zijn gelijke te beschouwen.

Maar dat behoeft geen enkele regisseur, producent of programmamaker ervan te weerhouden strenge kwaliteitseisen te stellen. Wie iets bijzonders wil maken, kan aankloppen bij bijzonder talent. Er staat geen straf op kwaliteit en er zal altijd een publiek bestaan met voldoende onderscheidingsvermogen om het verschil te zien. Dat is een schrale troost, maar méér zit er waarschijnlijk niet in.