Varkensliedje (7)

Het arme wrattenzwijn werd bleek

Toen hij in de spiegel keek;

Ach, ik word wel zwaar beproefd,

Sprak hij berustend maar bedroefd,

'k Hoef er geen doekjes om te winden,

Ik bén gewoon niet mooi te vinden;

Ja, ik beken het ruiterlijk:

Ik bof niet met mijn uiterlijk.

Van binnen ben ik mooi en goed,

Maar wie ziet dat aan mijn snoet?

Wie is in staat om te beminnen

Een beest met zoveel onderkinnen?

Ik ben te schuw, ik ben te vet

En ik ga veel te laat naar bed.

Ach, wie denkt aan de zielepijn

Van het wanhopig wrattenzwijn?